Weer een stilte.
‘Niet precies.’
‘Wat betekent niet precies?’
‘Lars heeft een probleem.’
Daar was het eerste scheurtje.
Femkes man had niet tijdelijk zonder werk gezeten, zoals mijn moeder telkens beweerde. Hij was achttien maanden eerder ontslagen bij een logistiek bedrijf in Woerden nadat hij geld uit kasbetalingen had verschoven. Femke had dat verborgen gehouden.
Hij handelde sindsdien in tweedehands elektronica. Telefoons, tablets en spelcomputers. Hij kocht partijen op krediet en verkocht ze online. Een leverancier eiste nog diezelfde week 7.800 euro.
‘Dus die telefoons waren niet voor de kinderen.’
‘Milan heeft wel een nieuwe nodig.’
‘Dat is geen antwoord.’
‘Je klinkt als een rechercheur.’
‘En jij klinkt als iemand die weet dat er een valse handtekening is gebruikt.’
Femke begon zachter te praten.
‘Mam wilde helpen.’
‘Met mijn geld.’
‘Ze heeft jou ook geholpen.’
Ik keek naar de bloemen op de vensterbank. De bladeren hingen inmiddels slap over de vaas.
‘Wanneer?’
Femke zei niets.
‘Noem één moment.’
‘Ze is onze moeder, Sanne.’
‘Dat is een relatie. Geen betalingsbewijs.’
Ze verbrak de verbinding.
Een uur later ontving ik drieëntwintig berichten in de familie-app. Mijn moeder schreef dat ik Femke onder druk zette tijdens een gezinscrisis. Lars noemde mij koud. Een tante die ik twee jaar niet had gesproken, vond dat ik “na de hormonen” mijn excuses moest aanbieden.
Ik reageerde met één foto: het formulier met de nagemaakte handtekening.
Daaronder schreef ik:
Wie hierover wil praten, kan dat doen in aanwezigheid van mijn advocaat.
De groep bleef zes minuten stil.
Toen verwijderde mijn moeder mij.
Ik deed aangifte van poging tot fraude en van het meenemen van de documenten uit mijn huis. De agent achter het bureau vroeg zorgvuldig door. Had mijn moeder een sleutel? Had zij eerder toestemming gehad financiële zaken te regelen? Kon iemand anders toegang hebben gehad tot mijn handtekening?
Ik gaf hem de beelden van de deurcamera, de berichten en het bankformulier.
‘Wilt u echt aangifte doen tegen uw moeder?’ vroeg hij.
‘Ik wil aangifte doen tegen degene die mijn handtekening heeft nagemaakt.’
Hij knikte en klikte het volgende scherm open.
Twee dagen daarna stond Maarten voor mijn deur.
Ik zag hem op de camera en mijn maag trok samen. Hij had nat haar, donkere kringen onder zijn ogen en een papieren tas van de bakker in zijn hand.
Ik liet hem niet meteen binnen.
‘Waarom ben je hier?’
‘Omdat ik gisteren hoorde dat Lotte geboren is.’
‘Ik heb je foto’s gestuurd.’
‘Nee.’
Hij hield zijn telefoon tegen het raam naast de voordeur. Op het scherm stond ons gesprek. Mijn laatste zichtbare bericht was van vier weken voor de bevalling.
Ik opende de deur tot aan de ketting.
‘Ik heb je zeker twintig keer gebeld.’
‘Mijn nummer was geblokkeerd.’
‘Door jou.’
‘Dat dacht ik van jou.’
Hij slikte en keek naar de kinderwagen in de gang.
‘Mag ik haar zien?’
Ik wilde de deur sluiten. Niet uit woede, maar omdat ik te moe was voor nog een leugen.
Toen zei hij: ‘Je moeder heeft me verteld dat je niet wilde dat ik bij de bevalling was.’
Mijn hand bleef op de deurklink liggen.
‘Wanneer?’