— Heeft u al besloten aan wie u het huis nalaat?
Deze vraag kwam zo onverwacht dat de lepel uit mijn handen gleed en hard tegen het bord stootte.
Aan tafel viel meteen een stilte.
Ik keek op naar de familielid die tegenover me zat.
— Pardon? — vroeg ik zacht.

Hij glimlachte ongemakkelijk.
— Nou… iedereen maakt zich gewoon zorgen. Het huis is groot, het perceel ook. We wilden graag weten wat uw plannen zijn.
Ik was vierentachtig jaar oud.
De laatste veertig jaar woonde ik in het huis dat mijn overleden man en ik steen voor steen hadden gebouwd. Elke hoek bewaarde herinneringen. Daar bij het raam stond de wieg van onze kinderen. Daar bij de open haard vierden we feestdagen. En in de tuin groeiden de bomen die we eigenhandig hadden geplant.
Na de dood van mijn man bleef ik alleen achter.
Eerst kwamen de familieleden vaak op bezoek.
Daarna steeds minder.
Vervolgens alleen nog met feestdagen.
En de laatste jaren gebeurde er een echt wonder.
De telefoon begon bijna elke dag te rinkelen.
Ik werd uitgenodigd voor familiebijeenkomsten.
Ze informeerden naar mijn gezondheid.
Ze brachten taarten en cadeaus mee.
Toen leek het alsof de familie eindelijk dichterbij kwam.
Nu begreep ik de echte reden.
Het huis.
Dat interesseerde hen het meest.
Die avond ging het gesprek snel over op een ander onderwerp, maar ik had al gezien wat ik eerder niet had willen zien.
Elke blik.
Elke voorzichtige vermelding van bezittingen.
Elke zin in de trant van:
— Het is zwaar voor u om zo’n groot huis alleen te onderhouden.
Of:
— Misschien moet u alles alvast regelen?
Of:

— We moeten aan de toekomst denken.
Aan mijn toekomst dacht niemand.
Iedereen dacht aan die van zichzelf.
Enkele dagen later kwamen er meteen drie familieleden op bezoek.
Met tassen vol boodschappen.
Met bloemen.