DEEL 2 — DE MAN IN KAMER 4.18
Ik weet nog dat de lunchtas uit mijn hand gleed.
Niet dramatisch.
Geen glazen bakjes die braken.
Hij zakte gewoon tegen mijn been en viel om.
Het deksel van bakje salade schoof open.
Een paar blaadjes rucola lagen op linoleum.
Ik bleef ernaar kijken.
Alsof mijn hersenen besloten dat sla makkelijker was dan woorden van Maarten.
‘Patiënt.’
‘Annemarie.’
‘Wat heeft hij?’
‘Dat moet hij je zelf vertellen.’
Ik schoot overeind.
‘Nee.’
‘Medische privacy—’
‘Hou op.’
Mijn stem galmde.
Verpleegkundigen keken.
Ik verlaagde hem.
‘Mijn man liegt al maanden tegen mij. Jij begint nu niet over privacy.’
Maarten keek kapot.
‘Ik dacht dat jij het wist.’
‘Hoe?’
‘Hij zei dat thuis alles besproken was.’
Dat kwam harder aan.
Jeroen had dus niet alleen tegen mij gelogen.
Hij had tegenover collega’s gelogen óver mij.
‘Wat zei hij precies?’
‘Dat jij tijd nodig had.’
‘Tijd voor wat?’
Maarten wreef gezicht.
‘Kom mee.’
We namen lift naar vierde verdieping.
Neurologie.
Ik kende ziekenhuis jarenlang als plek waar Jeroen macht had.
Artsen groetten hem.
Verpleegkundigen vroegen advies.
Familieleden keken hoopvol wanneer hij in witte jas een kamer binnenkwam.
Op vierde verdieping was hij gewoon achternaam op patiëntenlijst.
Maarten stopte voor kleine spreekkamer.
‘Hij zit bij fysiotherapie. Ik laat hem halen.’
‘Nee.’
‘Wat?’
‘Ik wil zien.’
‘Annemarie—’
‘Waar?’
Hij aarzelde.
Daarna wees naar glazen deur verderop.
Ik liep.
In oefenruimte zat Jeroen.
Op stoel.
Geen witte jas.
Geen stethoscoop.
Een grijs T-shirt en joggingbroek.
Een fysiotherapeut zat tegenover hem.
Op tafel lagen houten blokjes.
Jeroen moest ze één voor één oppakken met rechterhand en in doos zetten.
Zijn hand trilde.
Niet veel.
Genoeg.
Hij pakte eerste blokje.
Tweede.
Bij derde gleed het uit vingers.
Hij vloekte zacht.
De therapeut zei iets.
Jeroen ademde diep.
Probeerde opnieuw.
Toen keek hij toevallig naar glazen deur.
Hij zag mij.
Het blokje viel opnieuw.
Ik heb nog nooit zoveel angst op gezicht van mijn man gezien.
Niet tijdens bevalling.
Niet toen zijn vader stierf.
Niet wanneer hij naar spoedoperatie werd geroepen.
‘Annemarie.’
Ik bleef staan.
Hij kwam overeind.
Te snel.
Zijn rechterbeen leek een fractie achter te blijven.
Ik zag het nu.
Hoe had ik het gemist?
‘Wat doe jij hier?’
Dat was zijn eerste vraag.
Niet:
ik kan het uitleggen.
Niet:
sorry.
‘Lunch.’
Hij keek naar lege handen.
‘Waar?’
‘Beneden.’
‘Annemarie…’
Ik draaide om.
Hij kwam achter me.
‘Wacht.’
Ik liep naar lege familiekamer.
Hij volgde.
Maarten bleef buiten.
Ik sloot deur.
‘Vertel.’
Jeroen stond tegenover me.
Bleek.
‘Hoeveel weet je?’
Ik lachte.
‘Dat is blijkbaar thema van vandaag.’
‘Alsjeblieft.’
‘Vier maanden niet geopereerd.’
Hij sloot ogen.
‘Ja.’
‘Neurologie.’
‘Ja.’
‘Je hand.’
‘Ja.’
‘Wat heb je?’
Hij ging zitten.
Ik bleef staan.
‘Ze denken dat ik young-onset Parkinson heb.’
Mijn oren begonnen te suizen.
‘Denken?’
‘Diagnose is inmiddels vrijwel zeker.’
‘Parkinson.’
‘Ja.’
‘Sinds wanneer weet je dat?’
‘Definitief?’
‘Jeroen.’
‘Zes weken.’
‘En daarvoor?’
‘Sinds ongeveer zeven maanden wisten we dat er iets neurologisch speelde.’
Zeven maanden.
Kerst.
Trouwdag.
Emma’s verjaardag.
Allemaal ná eerste onderzoeken.
‘Je wist dit zeven maanden?’
‘Niet wat het was.’
‘Maar je wist dat er iets met je hand was.’
‘Ja.’
‘En je bleef opereren?’
Hij keek naar vloer.
Daar was nieuwe stilte.
‘Jeroen.’
‘Een tijdje.’
Mijn maag draaide.
‘Hoelang?’
‘Zes weken na eerste duidelijke klachten.’
‘Waarom?’
‘Omdat ik dacht dat het stress was.’
‘Je bent chirurg.’
‘Juist daarom.’
‘Wat betekent dat?’
Hij keek op.
‘Ik wist wat op spel stond.’
‘Dus?’
‘Ik wilde niet dat één trillende vinger mijn hele carrière zou beëindigen voordat iemand wist wat het was.’
‘Dus je zweeg.’
‘Ja.’
‘En toen?’
Hij begon te huilen.
‘Toen overleed Van Dijk.’
Ik kende naam niet.
‘Wie?’
‘Patiënt.’
De zware nacht.
Mijn huid werd koud.
‘De patiënt waar je om huilde?’
Hij knikte.
‘Heb jij…’
Ik kon zin niet afmaken.
‘Ik weet het niet.’
Dat was erger.
‘Wat bedoel je, je weet het niet?’
‘Het was een complexe aortareconstructie. Tijdens laatste fase ontstond bloeding. Mijn hand…’
Hij keek naar vingers.
‘Ik had moeite met fijne beweging.’
‘En?’
‘Maarten nam over.’
‘Is patiënt overleden?’
‘Zes uur later.’
Ik ging zitten.
Mijn benen droegen me niet.
‘Denk je dat het door jou kwam?’
‘Ja.’
‘Weet ziekenhuis dat?’
‘Er loopt onderzoek.’
‘Vier maanden?’
‘Interne calamiteitenanalyse. Externe deskundigen. IGJ is geïnformeerd.’
Alles professioneel.
Alles geregeld.
Behalve thuis.
‘En jij dacht dat ik dit niet hoefde te weten?’
‘Ik dacht dat ik je beschermde.’
Ik lachte zo hard dat het pijn deed.
‘Waartegen?’
‘Dit.’
‘Dit wat?’
‘De angst. Het wachten. De onzekerheid.’
‘Dus je liet me denken dat je te druk was om op verjaardag van onze dochter te komen.’
‘Die dag had ik een DAT-scan.’
Ik voelde ogen branden.
Emma met step.
‘Je beloofde haar dat je kwam.’
‘Ik weet.’
‘Je stuurde dat een operatie uitliep.’
‘Ik weet.’
‘Er was geen operatie.’
‘Nee.’
Ik stond weer op.
‘Heb je ooit geopereerd op dagen dat je zei dat je opereerde?’
‘De laatste vier maanden niet.’
‘Waar was je dan?’
‘Onderzoeken. Revalidatie. Gesprekken met juristen. Kwaliteitscommissie. Soms zat ik gewoon in mijn kantoor omdat ik niet naar huis durfde.’
Dat laatste brak iets.
‘Je durfde niet naar huis.’
‘Nee.’
‘Naar mij.’
‘Ik kon je niet aankijken.’
‘Maar je kon wel iedere dag een ziekenhuispas opspelden en doen alsof.’
Hij boog hoofd.
‘Ja.’
‘Waarom Maarten?’
‘Hij wist het vanaf eerste tremor.’
‘En Ingrid?’
‘Afdeling weet dat ik medisch verlof heb. Niet iedereen kent diagnose.’
‘En iedereen dacht dat ik wist.’
‘Ja.’
Ik liep naar deur.
‘Annemarie.’
Ik draaide.
Hij zag er ziek uit.
Niet door Parkinson alleen.
Door schaamte.
‘Kom vanavond naar huis,’ zei hij.
‘Nee.’
‘Alsjeblieft.’
‘Ik moet Emma ophalen.’
‘We moeten haar samen—’
‘Nee.’
Mijn stem werd ijskoud.
‘We gaan haar niets vertellen totdat ik weet welke delen van jouw leven nog echt zijn.’
‘Alles behalve dit.’
‘Zeven maanden liegen is geen “dit”.’
Ik opende deur.
Maarten stond verderop.
Ik liep langs hem.
Toen hoorde ik Jeroen:
‘Annemarie, ik hou van je.’
Ik stopte niet.
Liefde was op dat moment niet probleem.
Waarheid wel.