DEEL 3 — DE APPELTAART
Beneden lag mijn lunch nog bij zusterpost.
Ingrid had bakjes weer gesloten.
Het briefje lag bovenop.
Ik pakte het.
Je hoeft niet altijd voor de hele wereld te zorgen.
Laat mij nu maar eens voor jou zorgen.
Ik las het drie keer.
Daarna scheurde ik het niet.
Ik stopte het in mijn tas.
In auto zat ik twintig minuten zonder te rijden.
Maarten belde.
Ik nam niet op.
Jeroen.
Niet.
Sanne, mijn zus? We haven't introduced. Could use best friend Roos. Let's have no relation. I called my friend Nadine maybe. Hmm user seed didn't mention. We can use "Saskia", close friend.
Ik belde Saskia.
‘Kun jij Emma van school halen?’
‘Ja. Waarom?’
‘Ik zit ziekenhuis.’
‘Is er iets met Jeroen?’
Ik begon te huilen.
‘Ja.’
‘Wat?’
‘Ik kan het nog niet zeggen.’
Saskia stelde geen vragen.
‘Ik haal haar.’
Dat is vriendschap.
Toen ik thuiskwam was huis stil.
Jeroens schoenen stonden bij deur.
Zijn jas niet.
Ik liep naar keuken.
Bord met zijn eten van vorige avond nog in koelkast.
Ik wilde alles weggooien.
Deed niet.
In plaats daarvan ging ik naar zijn werkkamer.
Niet om geheimen te zoeken.
Tenminste, dat vertelde ik mezelf.
Op bureau lag post.
Een brief van arbeidsongeschiktheidsverzekeraar.
Geopend.
Datum twee maanden eerder.
Voorlopige beoordeling beroepsongeschiktheid voor operatieve werkzaamheden.
Daaronder:
100% ongeschikt voor micro- en fijnmotorische chirurgische handelingen, herbeoordeling na behandelinstelling.
Mijn handen begonnen te trillen.
Nog een map.
Neurologie
Ik wist dat ik waarschijnlijk zijn medische privacy schond.
Ik las toch.
Niet alles.
Een samenvatting.
Bradykinesie.
Rigiditeit rechts.
Rusttremor.
Vertraagde fijne motoriek.
‘Beeld passend bij ziekte van Parkinson op relatief jonge leeftijd.’
Relatief jong.
Jeroen was vierenveertig.
Hij was altijd snel geweest.
Niet alleen handen.
Brein.
Stem.
Besluiten.
Nu stond er op papier dat zijn lichaam vertraagde.
Ik voelde verdriet.
Daaronder woede.
Ik vond nota van hotel.
Drie nachten.
Datum rond onze trouwdag.
Hij had gezegd dat hij twee nachtdiensten achter elkaar had.
Waarom hotel?
Daaronder brief van advocaat.
Niet scheidingsadvocaat.
Medisch aansprakelijkheidsrecht.
Betreft:
calamiteitenonderzoek patiënt Van Dijk.
Mijn hart bonsde.
Ik las alleen eerste alinea.
Jeroen had zichzelf gemeld bij medisch stafbestuur nadat patiënt was overleden.
Hij had aangegeven al vóór operatie kortdurende motorische klachten te ervaren.
Er werd onderzocht of hij procedure had moeten uitstellen of overdragen.
Toen hoorde ik voordeur.
‘Mama?’
Emma.
Ik schoof papieren terug.
‘Hier.’
Ze kwam keuken binnen met Saskia.
‘Waarom huil je?’
Kinderen zien alles.
‘Mama had een moeilijke middag.’
‘Is papa dood?’
Mijn hart stopte.
‘Nee! Nee, lieverd.’
Ze ontspande.
‘O.’
‘Waarom vraag je dat?’
‘Omdat jij zo keek toen opa doodging.’
Ik knielde.
‘Papa leeft.’
‘Komt hij eten?’
Ik slikte.
‘Niet vanavond.’
Haar gezicht veranderde.
‘Operatie?’
Daar.
De leugen was inmiddels familiewoord.
‘Nee.’
Ik koos iets kleins dat waar was.
‘Papa heeft iets met zijn gezondheid en moet daarom veel naar het ziekenhuis.’
‘Is hij ziek?’
‘Een beetje.’
‘Erg?’
‘We zoeken uit wat het betekent.’
‘Waarom zei hij dan operatie?’
Ik voelde vloer verdwijnen.
Kinderen zijn sneller dan volwassenen.
‘Daar moeten papa en ik over praten.’
‘Heeft hij gelogen?’
Saskia keek weg.
Ik wilde zeggen:
hij wilde je beschermen.
Maar dat zou alweer zijn keuze vergoelijken.
‘Ja.’
Emma keek naar mij.
‘Waarom?’
‘Omdat hij bang was.’
Ze dacht.
‘Mag je liegen als je bang bent?’
‘Nee.’
‘Maar soms doe je het.’
‘Ja.’
‘Stom.’
‘Heel.’
Ze liep naar haar kamer.
Saskia bleef.
‘Wat heeft hij?’
Ik vertelde.
Zij sloeg hand voor mond.
‘O God.’
‘En er is patiënt overleden.’
‘Door hem?’
‘Hij denkt van wel.’
‘Weet je?’
‘Nee.’
‘En jij wist niets.’
Ik keek naar werkblad op bureau.
‘Iedereen wist meer dan ik.’
Saskia kwam naast me zitten.
‘Wat ga je doen?’
‘Ik weet het niet.’
‘Ga je bij hem weg?’
‘Ik weet het niet.’
‘Hou je nog van hem?’
Daar hoefde ik geen seconde over na te denken.
‘Ja.’
Dat was probleem.
Als ik niets meer voelde, was alles eenvoudiger geweest.
Liefde maakt verraad niet kleiner.
Alleen moeilijker om netjes te rangschikken.
Om acht uur stuurde Jeroen:
Ik blijf vannacht bij Maarten. Ik dring me niet op.
Ik zal morgen alles vertellen.
Geen excuses meer.
Ik antwoordde:
Goed.
Een minuut later:
Hoe is Emma?
Ik staarde.
Toen:
Ze weet dat je ziek bent. Niet meer.
Dank je.
Ik typte:
Bedank me niet. Dit is jouw gesprek ook.
Verwijderde.
Typte opnieuw:
We spreken morgen.
Die nacht sliep ik aan zijn kant van bed.
Niet bewust.
Pas toen ik wakker werd merkte ik het.
Zijn kussen rook nog naar hem.
Ik begon opnieuw te huilen.
Niet om huwelijk.
Om zijn hand.
Om patiënt.
Om Emma.
Om zeven maanden waarin hij iedere ochtend naast mij wakker werd en besloot dat ik waarheid niet aankon.