DEEL 8 — DE DIAGNOSE WAS NIET HET EINDE
Parkinson is geen zin met punt.
Dat moest ik leren.
In mijn hoofd betekende diagnose eerst:
rolstoel.
Dementie.
Einde.
De neuroloog corrigeerde.
Young-onset Parkinson kent enorme variatie.
Medicatie kan jarenlang goed effect geven.
Beweging helpt.
Slaap.
Fysiotherapie.
Logopedie soms.
Geen genezing.
Wel leven.
Jeroen reageerde goed op levodopa.
Zijn tremor werd minder.
Stijfheid verbeterde.
Daarmee kwam gevaarlijke hoop:
‘Misschien kan ik ooit weer opereren.’
Neuroloog keek zorgvuldig.
‘Medicatie-effect betekent niet automatisch dat hoogrisico fijnmotorisch werk verantwoord is.’
Jeroen knikte, maar ik zag hoe zin hem raakte.
Later in auto:
‘Als hand stabiel is—’
‘Nee.’
Hij keek.
‘Je bent geen bedrijfsarts.’
‘Klopt.’
‘Dus?’
‘Ik hoor je alweer onderhandelen met werkelijkheid.’
Hij werd boos.
‘Je weet niet hoe het is.’
‘Nee.’
‘Opereren is wie ik ben.’
‘Dat is precies probleem.’
Hij sloeg hand tegen dashboard.
Niet hard.
‘Hou op met alles psychologisch maken!’
‘Ik maak niks. Jij zegt letterlijk dat één beroep hele identiteit is.’
‘Omdat jij makkelijk praat. Jij verliest jouw werk niet.’
Daar had hij gelijk.
Ik werkte als communicatieadviseur voor een onderwijsstichting. Belangrijk voor mij, maar niet mijn hele zelfbeeld.
‘Nee.’
Mijn stem zachter.
‘Dat weet ik niet.’
We reden zwijgend.
Een dag later stuurde hij:
Sorry dat ik naar je uithaalde. Maar ik ben nog niet klaar met rouwen om OK.
Ik antwoordde:
Dat hoef je ook niet.
Hij:
Ik wil niet dat jij mijn therapeut wordt.
Goed. Daar heb je Eva voor.
Zij is relatietherapeut.
Zoek er nog één.
Dat deed hij.
Een psycholoog gespecialiseerd in artsen met beroepsverlies.
Voor het eerst probeerde hij iets niet bij mij neer te leggen én niet alleen te dragen.
Dat was nieuw.