Om kwart voor zeven ‘s ochtends stond ik voor het gebouw van de hogeschool met een boodschappentas, mijn rugzak en een kartonnen doos vol brokstukken.
Mijn docent, meneer Van Dijk, was er nog niet.
Ik zat bijna veertig minuten op een bankje.
De hele tijd keek ik naar de doos naast mijn voeten.
Ik had nauwelijks geslapen.
Iedere keer wanneer ik mijn ogen sloot, zag ik het dak opnieuw vallen.
En daarna hoorde ik Britt lachen.
Om half acht stuurde Van Dijk een bericht.
Ben er over tien minuten.
Toen hij aankwam, keek hij eerst naar mij.
Daarna naar de doos.
‘Wat is er gebeurd?’
Ik had onderweg besloten dat ik niet zou huilen.
Dat hield ongeveer vijftien seconden stand.
Ik vertelde alles.
Niet alleen dat Britt het model had geraakt.
Ook dat ze het had vastgepakt nadat ik haar had gevraagd dat niet te doen.
Dat mijn ouders erbij stonden.
Dat ze lachten.
Dat ik het huis had verlaten.
Van Dijk zei niets totdat ik klaar was.
Toen tilde hij voorzichtig een afgebroken gevelelement uit de doos.
‘Kun je dit in zeven dagen helemaal opnieuw bouwen?’
‘Nee.’
Het woord kwam er onmiddellijk uit.
Voor het eerst probeerde ik niet te doen alsof ik alles aankon.
‘Goed,’ zei hij.
Ik keek op.
‘Goed?’
‘Dan gaan we niet doen alsof dat wel kan.’
Hij vroeg of ik foto’s had.
Ik opende mijn laptop.
Gelukkig had ik bijna obsessief iedere fase van mijn werk vastgelegd.
De fundering.
De draagconstructie.
De technische tekeningen.
De bedrading.
De werkende zonnepanelen.
Zelfs filmpjes waarop de verschuifbare dakpanelen te zien waren.
Van Dijk bladerde er bijna twintig minuten doorheen.
‘Je hoeft niet hetzelfde model opnieuw te maken.’
‘Maar de presentatie—’
‘Gaat over het ontwerp. Niet over jouw vermogen om zeven nachten niet te slapen.’
Hij stelde voor dat ik de intacte delen gebruikte en het beschadigde gedeelte zichtbaar liet.
Eerst dacht ik dat hij medelijden met me had.
Toen zei hij:
‘Maak van de schade onderdeel van je presentatie.’
Ik begreep hem niet.
‘Hoe?’
‘Jouw hele ontwerp gaat toch over aanpasbaarheid? Over gebouwen die schade kunnen opvangen en herstellen?’
Ik keek naar de gebroken maquette.
Toen begon iets in mijn hoofd te bewegen.
In plaats van het oorspronkelijke ontwerp perfect te reconstrueren, bouwde ik een nieuwe tweede laag.
Een herstelmodule.
Een vervangbaar gevelsysteem.
Ik gebruikte het ingestorte deel om te laten zien hoe onderdelen snel opnieuw geplaatst konden worden na waterschade of andere calamiteiten.
Het was niet mijn oorspronkelijke plan.
Maar het werkte.
Alleen had ik hulp nodig.
Veel hulp.
De eerste die bleef was Samira, een medestudent die ik vooral kende van gezamenlijke colleges.
‘Ik heb vanmiddag niks,’ zei ze. ‘Geef me een mesje.’
Daarna kwam David.
Toen Luuk.
Zelfs een student uit het jaar onder ons die goed was met elektronica bood aan de beschadigde bedrading opnieuw aan te leggen.
Niemand vroeg wat ze ervoor terugkregen.
Ze hielpen gewoon.
Dat was bijna moeilijker om te verwerken dan de vernieling zelf.
Ik was zo gewend geraakt aan het idee dat hulp altijd een prijs had, dat gratis vriendelijkheid verdacht voelde.
De eerste avond kreeg ik twaalf gemiste oproepen van mijn moeder.
Daarna kwamen de berichten.
Waar ben je?