— Ja.
— Dan wil ik weten wie.
Hij schudde zijn hoofd.
— Dien een formeel informatieverzoek in. Dan krijgt u wat openbaar gemaakt kan worden.
Ik werd steeds minder vriendelijk.
— En tot die tijd verwacht u dat ik hier niks verander?
— Aan het tracé liever niet.
— “Liever niet” is geen juridische term.
Voor het eerst glimlachte hij kort.
— Nee. Dat is waar.
Hij haalde een formulier uit zijn map.
— Daarom vraag ik u om schriftelijk toestemming voor toegang van twee medewerkers van de gemeente, komende donderdag.
— Nee.
Hij keek op.
— Nee?
— Niet voordat ik weet wat jullie zoeken.
— Dan kan het onderzoek vertraging oplopen.
— Dat klinkt als jullie probleem.
Ik gaf hem de kaart terug.
— U kunt gaan.
Meijer stopte hem rustig in de map.
Vlak voor hij naar zijn auto liep, draaide hij zich om.
— Meneer Van Dijk.
— Ja?
— Als ik u één advies mag geven: graaf voorlopig niet verder aan die weg.
— Waarom?
Hij keek naar de grond onder onze voeten.
— Omdat ik niet weet wat u tegenkomt.
Daarna reed hij weg.
Ik stond nog zeker een minuut op dezelfde plek.
Die avond zocht ik mijn hele koopdossier opnieuw door.
De akte.
Kadasterkaart.
Bodemrapport.
Taxatie.
Bouwkundige keuring.
Nergens stond iets over een gemeenteweg.
Om half elf belde ik de notaris die de overdracht had gedaan.
Zijn assistente nam op.
— Notariskantoor De Bruin.
— Met Thomas van Dijk. Ik heb een vraag over een levering van drie maanden geleden.
Ze zocht mijn dossier op.
— Waar gaat het om?
— Een oude weg over mijn perceel.
Er viel een kleine stilte.
— Een weg?
— De gemeente beweert dat die mogelijk openbaar of gemeentelijk is.
Weer stilte.
— Ik verbind u even door met kandidaat-notaris Van Loon.
Dat vond ik vreemd.
Normaal moest je dagen wachten.
Nu had ik hem binnen dertig seconden aan de lijn.
Peter van Loon herinnerde zich mijn dossier opvallend goed.
— Meneer Van Dijk. Ja. De boerderij aan de Veldhorsterweg.
— Precies.
— Wat is er gebeurd?
Ik vertelde hem over Meijer.
Hij liet me uitpraten.
— In uw leveringsakte staat geen erfdienstbaarheid.
— Dat weet ik.
— En het kadastrale perceel loopt gewoon door.
— Dat weet ik ook.
— Dan zou ik de gemeente vragen op welke juridische grondslag zij aanspraak maakt.
— Dat ga ik doen. Maar mijn vraag is anders.
— Zegt u het.
— Is die oude weg tijdens de overdracht besproken?
Stilte.
Te lang.
— Niet voor zover ik me herinner.
— Ik wel.
— Pardon?
— Ik vroeg de makelaar expliciet of er rechten op zaten.
— Dat is iets anders.
— Is er vóór de verkoop correspondentie geweest over die weg?
— Niet dat ik nu voor me heb.
“Nu voor me heb.”
Die formulering beviel me niet.
— Kunt u dat controleren?
— Natuurlijk.
— Wanneer?
— Ik kom erop terug.
— Morgen?
— Ik kan niets beloven.
— Dan kom ik zelf langs.
Hij zuchtte.
— Dat is niet nodig.
— Dan hoor ik morgen van u.
Ik hing op.
De volgende ochtend stond Henk weer bij mijn hek.
Ik vroeg me soms af of die man mijn erf in de gaten hield.
— Gemeente geweest? — vroeg hij.
Ik keek hem scherp aan.
— Hoe weet u dat?
— Witte auto met logo.
— Ze zeggen dat die oude weg misschien van hen is.
Henk keek alsof ik had gezegd dat water nat was.
— Dat zeiden ze vroeger ook.
— Waarom heeft u dat nooit eerder verteld?
— Je vroeg het niet.
Ik telde in gedachten tot drie.
— Henk, weet u waarom die weg belangrijk is?
Hij keek naar mijn boerderij.
— Mijn vader zei altijd dat je van die weg af moest blijven.
— Waarom?
— Hij zei dat er ruzie over geweest was.
— Met wie?
— Gemeente. Boeren. Een aannemer uit Zutphen.
— Wanneer?
— Eind jaren zeventig. Begin tachtig. Zoiets.
— Waar ging de ruzie over?
Hij haalde zijn schouders op.
— Geld.
Dat verbaasde me niet.
Bij oude grondkwesties ging het bijna altijd over geld.
— Heeft u ooit iemand die weg zien gebruiken?
— Ja.
Ik wachtte.
— Wie?
— Gemeentewerkers.
— Wanneer?
— Toen ik jong was.
— Wat deden ze?
Hij keek me recht aan.
— Graven.
Nu had hij mijn volledige aandacht.
— Waar?
Henk wees naar een bocht ongeveer honderd meter achter de schuur.
— Daar ergens.
— Naar wat?
Hij schudde zijn hoofd.
— Geen idee.
— U zag ze toch?