— Vanaf ons land. Mijn vader stuurde me weg.
— Waarom?
— Omdat hij zei dat het onze zaak niet was.
Hij draaide zich om.
— Henk.
Hij stopte.
— Wat?
— De gemeente zei dat ik voorlopig niet moest graven.
— Dan zou ik dat voor één keer maar doen.
— Waarom?
Hij keek naar de donkere bomen aan het einde van het oude pad.
— Omdat ze dat vroeger ook zeiden.
Die middag kreeg ik een e-mail van de notaris.
Kort.
Zakelijk.
“Wij hebben in het archief geen aanvullende stukken aangetroffen waaruit een zakelijk recht op het bewuste tracé blijkt.”
Ik las de zin drie keer.
Geen aanvullende stukken waaruit een zakelijk recht blijkt.
Dat was niet hetzelfde als: er zijn geen stukken.
Ik belde hem direct.
— Heeft u stukken gevonden?
— Meneer Van Dijk…
— Dat vroeg ik niet. Heeft u correspondentie gevonden over die weg?
Stilte.
— Er zat een oude notitie in het dossier van de vorige notaris.
Mijn hand verstijfde rond de telefoon.
— Wat voor notitie?
— Niet juridisch bindend.
— Wat staat erin?
Hij ademde hoorbaar uit.
— “Informeren naar status voormalige ontsluitingsroute vóór levering.”
Ik zei niets.
— Meneer Van Dijk?
— Wie heeft die notitie geschreven?
— Dat is niet duidelijk.
— Wanneer?
— Zes weken vóór mijn overdracht.
Ik stond op van mijn stoel.
— Dus vóórdat ik kocht heeft iemand bij uw kantoor genoteerd dat de status van deze weg moest worden onderzocht.
— Ja.
— En is dat gebeurd?
— Ik zie geen vervolgnotitie.
— Is de verkoper hierover benaderd?
— Dat kan ik niet bevestigen.
— De makelaar?
— Ook niet.
— En toch ging de overdracht door.
— Op basis van de beschikbare kadastrale gegevens bestond daar geen belemmering voor.
— Beantwoord mijn vraag.
Hij zweeg.
Ik voelde mijn kaken strak worden.
— Heeft iemand die notitie genegeerd?
— Dat woord zou ik niet gebruiken.
— Welk woord dan?
— Niet opgevolgd.
Ik lachte zonder humor.
— Dat klinkt een stuk beter.
— Ik begrijp dat u boos bent.
— Nee. U begrijpt vooral dat ik nu wil weten wie die notitie heeft gemaakt.
— Ik ga dat uitzoeken.
— En stuur mij een kopie.
— Daar moet ik eerst naar kijken.
— U kijkt al maanden.
Ik hing op.
Diezelfde middag diende ik bij de gemeente een formeel verzoek om informatie in.
Alles over de oude weg.
Kaarten.
Besluiten.
Correspondentie.
Inspecties.
Vergunningen.
Onderhoud.
Eigendom.
Daarnaast belde ik een advocaat die gespecialiseerd was in vastgoedrecht.
Sanne Vermeer, negenendertig, werkte in Deventer en had volgens een collega ooit een gemeente drie jaar beziggehouden over een sloot van zestig centimeter breed.
Dat leek me precies het soort persoon dat ik nodig had.
Ze kwam twee dagen later naar de boerderij.
Niet in een mantelpak.
Jeans, laarzen en een dikke groene jas.
Ze liep eerst de hele route af voordat ze mijn papieren bekeek.
Bij de bocht waar Henk de gemeentewerkers had zien graven, bleef ze staan.
— Hier is de grond anders.
Ik keek.
— Hoe bedoel je?
— Het pad ligt hoger.
Ze schopte met haar hak tegen de aarde.
— En dit is geen natuurlijke opbouw.
— Puin?
— Misschien.
Ze hurkte.
Tussen de modder zat een klein stuk rood baksteen.
— Oude verharding.
— Dus het was echt een weg.
— Dat verbaast me niet.
— Wat wel?
Ze stond op.
— Dat niemand bij de koop heeft uitgezocht welke status hij had.
We gingen naar binnen.
Sanne spreidde de stukken uit over mijn keukentafel.
— Er zijn grofweg drie mogelijkheden. Eén: de weg is volledig privé en de gemeente heeft geen recht. Twee: er rust een publiekrechtelijke status op die door verjaring of historische besluitvorming ingewikkeld is geworden. Drie: er bestaat een oud recht of eigendomsclaim die nooit goed in het kadaster terecht is gekomen.
— Welke is het ergst?
— Voor jou?
— Ja.
— Dat hangt ervan af wat de gemeente wil.
— Ze willen alleen “toegang”.
— Gemeenten willen zelden alleen toegang.
Dat hielp niet.
— Kunnen ze mijn grond afpakken?
— Niet zomaar.
— Onteigenen?
— Daar zitten zware procedures aan vast.
— Dus ik hoef me geen zorgen te maken?
Ze keek me aan.
— Dat heb ik niet gezegd.
De volgende ochtend verscheen Erik Meijer opnieuw.
Deze keer was hij niet alleen.
Naast hem stond een vrouw in werkkleding met een tablet en meetapparatuur.
Ik liep naar het hek.
— Ik heb geen toestemming gegeven.
Meijer knikte.
— Dat weet ik.
— Waarom bent u er dan?