Deel 11 – Naar huis, maar niet naar vroeger
Femke kwam na zeven weken ziekenhuis en revalidatie naar huis.
Niet genezen.
Wel sterker.
Haar kanker reageerde op behandeling.
Dokter Verhoeven gebruikte woorden die ik bijna niet durfde geloven.
“Goede respons.”
Niet garantie.
Geen wonder.
Goede respons.
Wij liepen huis binnen.
Nieuwe sloten.
Andere codes.
Moeder weg.
Godfried weg.
Stilte.
Femke bleef in hal staan.
Ze begon te trillen.
“Wil je terug?”
vroeg ik.
“Waarheen?”
“Hotel. Revalidatie. Annemarie.”
Ze keek naar trap.
“Nee.”
“Zeker?”
“Nee.”
Dat verraste me.
Ze glimlachte door tranen.
“Maar ik wil proberen.”
“Goed.”
Eerste wat zij deed was naar keuken.
Niet slaapkamer.
Keuken.
Ze opende koelkast.
Vol eten.
Ze keek naar mij.
“Dit is belachelijk veel.”
“Ik raakte in paniek bij supermarkt.”
Ze lachte.
Ik ook.
“Je hebt zes soorten yoghurt.”
“Welke wil je?”
“Geen.”
“Perfect.”
Ze ging aan tafel zitten.
Ik maakte brood.
Toen brak ze.
Zonder waarschuwing.
Ze keek naar bord en begon te huilen.
Ik zette mes neer.
“Wat?”
“Niets.”
“Femke.”
“Ik kan gewoon eten.”
Mijn keel trok dicht.
Geen toestemming.
Geen rantsoen.
Geen schuld.
Gewoon eten.
Ik ging tegenover haar zitten.
Ze nam hap.
Langzaam.
We huilden.
Niet alles herstel hoeft groot te zijn.
Soms is brood genoeg.
Die avond wilde ze niet in onze slaapkamer.
“Logeerkamer.”
“Goed.”
“Vind je dat erg?”
“Ja.”
Ze keek geschrokken.
Ik glimlachte verdrietig.
“Maar jouw grens mag mij pijn doen.”
Tranen in haar ogen.
“Dat is nieuw.”
“Voor mij ook.”
Ik sliep in onze slaapkamer.
Alleen.
Zij in logeerkamer.
Niet omdat huwelijk kapot was.
Omdat nabijheid opnieuw toestemming nodig had.
De volgende weken gingen langzaam.
Chemo.
Rust.
Fysiotherapie.
Psycholoog.
Ik nam onbetaald verlof van fabriek.
Mijn werkgever was menselijker dan ik verwachtte.
“Familie eerst,” zei chef.
Die woorden hadden nu ingewikkelde smaak.
Maar ik begreep bedoeling.
Ik keerde niet terug naar Hamburg.
Niet permanent.
We besloten later.
Samen.
Na maand vroeg Femke:
“Wil je weten waarom ik steeds zei dat je moest blijven werken?”
“Ja.”
“Omdat ik trots was.”
“Op mij?”
“Op ons.”
Ze keek weg.
“Jij verdiende goed. Wij zouden hypotheek aflossen. Misschien reizen.”
“En?”
“Ik wilde niet degene zijn die plan kapotmaakte met kanker.”
Mijn hart brak.
“Kanker is geen keuze.”
“Dat weet ik nu.”
“Toen niet?”
“Ik voelde me rekening.”
Die zin.
Ik kneep ogen dicht.
“Wie gaf je dat gevoel?”
Ze dacht.
“Je moeder.”
“Godfried.”
“Ja.”
“En ik?”
Ze keek mij aan.
“Onbedoeld.”
Mijn adem stopte.
“Hoe?”
“Iedere keer dat je zei hoeveel overuren je deed.”
Ik wilde verdedigen.
Stopte.
“Vertel.”
“Je zei het trots.”
“Ja.”
“Dat alles voor toekomst was.”
“Ja.”
“En ik dacht: dan mag ik die toekomst niet duurder maken.”
God.
Zelfs liefde kan druk worden wanneer context ontbreekt.
“Ik wilde je motiveren.”
“Ik weet het.”
“Maar effect…”
“Was anders.”
Ik knikte.
“Sorry.”
Ze pakte mijn hand.
“Dank je.”
Geen:
niet jouw schuld.
Geen snelle vrijspraak.
Een sorry mocht gewoon bestaan.