IK KWAM NA VIER JAAR THUIS EN VOND MIJN KALE, UITGEMERGELDE VROUW IN HET ZAND

Deel 4 – De map in mijn moeders keuken

Twee dagen later werd Femke sterk genoeg om verder te onderzoeken.

Niet sterk genoeg naar huis.

Daar was ik dankbaar voor.

Ik wilde haar niet terugbrengen zolang ik niet wist wat daar nog speelde.

Bram ging met mij mee.

Niet als politie.

Niet als dreiging.

Als mijn advocaat en oude vriend.

Mijn moeder wist alleen dat ik “iemand van financiële afhandeling” meenam voor 1,5 miljoen.

Toen wij arriveerden, stond lunch klaar.

Mijn favoriete soep.

Godfried droeg overhemd.

Niet werkshirt.

Opvallend.

Seline had kolibrie niet meer om.

“Waar is ketting?” vroeg ik.

Ze verstijfde.

“Welke?”

“Femkes.”

“Oh.”

Ze glimlachte.

“In sieradendoos.”

“Goed.”

Bram gaf mij korte blik.

We gingen zitten.

Godfried stak hand uit.

“Bram, toch?”

Ze kenden elkaar vaag.

“Klopt.”

“Gefeliciteerd met goede zaak voor Daan.”

Bram keek naar mij.

Toen naar Godfried.

“Welke zaak?”

Godfried bevroor.

Mijn moeder sprong ertussen.

“Die schikking natuurlijk.”

Bram glimlachte professioneel.

“Wij inventariseren eerst.”

Perfect.

Geen bevestiging.

Geen ontkenning.

Hij opende lege map.

“Daan heeft vier jaar lang aanzienlijke bedragen overgemaakt voor huishouding en woning.”

Mijn moeder knikte.

“Dat heb ik allemaal beheerd.”

“Mooi.”

“Zeer zorgvuldig.”

“Uitstekend. Dan ontvangen we graag afschriften.”

“Van wat?”

“Rekening waarop Daan overmaakte.”

Stilte.

“Dat is mijn privérekening.”

Bram knikte.

“Dan alleen relevante transacties.”

“Waarom?”

“Om te scheiden wat voor Daan beheerd werd en wat privaat was.”

Mijn moeder lachte nerveus.

“Wij zijn familie.”

Bram antwoordde:

“Dat maakt administratie juist handig.”

Ik had zin mijn moeder haar gezicht te fotograferen.

Niet uit wraak.

Omdat ik eindelijk zag hoe haar zekerheid afbrokkelde wanneer iemand niet emotioneel reageerde.

Godfried zei:

“Kan uitbetaling niet gewoon naar familieholding?”

“Welke familieholding?” vroeg Bram.

Daar.

Godfried keek naar moeder.

Mijn hart sloeg.

“De garage.”

Ik keek hem aan.

“Jouw garage is geen familieholding.”

“Kan er een worden.”

“Met mijn geld?”

Hij glimlachte.

“Bro, je hebt straks anderhalf miljoen.”

Ik leunde achterover.

“En?”

“Je gaat dat toch niet op bank laten verdampen?”

Mijn moeder zei:

“Godfried heeft een groeiplan.”

Natuurlijk.

“Hoeveel?”

Mijn broer haalde map tevoorschijn.

Voorbereid.

Daar was val.

Hij legde businessplan.

Nieuwe locatie.

Spuitcabine.

Personeel.

Machines.

Benodigde investering:

€450.000.

Mijn ogen schoten naar Bram.

Hij bleef neutraal.

“En wat krijg ik?”

Godfried leek verrast dat ik zakelijk vroeg.

“Aandelen.”

“Hoeveel?”

“Veertig procent.”

“Wie bezit rest?”

“Ik.”

“Dus ik betaal bijna alles en krijg minderheid.”

“Jij werkt er niet.”

Ik glimlachte.

“Interessant.”

Mijn moeder zei:

“Familie kijkt niet zo.”

Daar.

Exact.

“Hoe kijkt familie?”

“Je helpt je broer.”

“Zoals jullie Femke hielpen?”

Stilte.

Mijn moeder haar gezicht verhardde.

“Daar gaan we nu weer.”

“Ja.”

“Ze heeft jou van alles verteld.”

“Veel.”

“Ze liegt.”

Bram zei rustig:

“Dan kunt u dat later met bewijs corrigeren.”

Seline keek hem vernietigend aan.

Ik zei:

“Papieren.”

Ze stond op.

Liep naar kast.

Haalde dunne map.

Vier jaar administratie.

Dun.

Te dun.

Bram bladerde.

Hypotheekbetalingen.

Eerste anderhalf jaar.

Daarna niet meer.

Hij stopte.

“Waarom stoppen deze?”

Mijn moeder zei:

“Hypotheek is afgelost.”

Ik keek op.

“Wat?”

“Ja.”

“Met welk geld?”

“Jouw geld.”

Mijn hart sloeg.

Dat had goed nieuws kunnen zijn.

Maar Femke had mij ooit verteld dat hypotheek nog liep.

“Wanneer afgelost?”

“Twee jaar geleden.”

Bram vroeg:

“Bewijs?”

Seline werd geïrriteerd.

“Moet alles bewijs hebben?”

“Bij financiële inventarisatie meestal wel.”

Ze liep opnieuw weg.

Godfried dronk water.

Ik zag zweet bij slaap.

Mijn moeder kwam terug met bankbrief.

Hypotheek inderdaad afgelost.

€38.000 restant.

Met overschrijving vanaf haar rekening.

Dus ongeveer derde van mijn gestuurde geld had legitieme bestemming.

Dat was belangrijk.

Niet alles gestolen.

Waarheid moest precies zijn.

Bram legde brief apart.

“Goed. Dan resteert grofweg zeventigduizend plus normale huishoudkosten.”

Mijn moeder kruiste armen.

“Eten kost geld.”

“Zeker.”

“Gas.”

“Zeker.”

“Verbouwingen.”

Ik keek rond.

“Voor wie?”

“Het huis.”

“Mijn huis.”

“Jouw familiehuis.”

“Mijn eigendom.”

Godfried rolde ogen.

Ik keek hem aan.

“Wie betaalde jouw garage?”

Stilte.

“Bank.”

“Hoeveel eigen inbreng?”

“Waarom?”

“Hoeveel?”

“Veertigduizend.”

“Waar vandaan?”

Hij keek naar moeder.

Seline zei:

“Wij hebben hem geholpen.”

“Met mijn overboekingen?”

“Met familievermogen.”

Bram stopte met schrijven.

“Dat is geen antwoord.”

Mijn moeder ontplofte.

“Vier jaar heb ik alles gedaan!”

Ik voelde hartslag.

“Wat?”

“Huis. Administratie. Femke.”

“Femke?”

“Ja!”

Ze stond op.

“Denk jij dat het makkelijk was met haar?”

Mijn handen werden koud.

“Kanker is inderdaad onhandig.”

Ze werd rood.

“Zo bedoel ik niet.”

“Hoe dan?”

“Ze wilde steeds meer.”

“Zoals eten?”

“Daan.”

“Medicatie?”

“Hou op.”

“Een bed binnen?”

Godfried stond op.

“Je provoceert.”

Bram zei:

“Ga zitten.”

Mijn broer keek hem aan.

“Jij hebt hier niks te zeggen.”

Ik zei:

“Hij wel zolang ik dat zeg.”

Godfried ging niet zitten.

Ik keek naar hem.

“Waar kwam je veertigduizend vandaan?”

Hij zweeg.

Toen moeder:

“Wij hebben lening genomen.”

Bram keek op.

“Met welke zekerheid?”

Daar.

Stilte.

Mijn maag zakte.

Bram herhaalde:

“Met welke zekerheid?”

Seline zei:

“Mijn vermogen.”

“Welke?”

Geen antwoord.

Ik voelde koude stroom door rug.

“Mijn huis?”

Mijn moeder keek weg.

Godfried vloekte.

Bram sloot map.

“Daan.”

“Ja?”

“Wij gaan nu.”

Mijn moeder schrok.

“Wat?”

“Geen verdere vragen.”

“Waarom niet?”

Bram stond op.

“Omdat vanaf dit punt ik officiële stukken wil zien voordat iemand iets beweert.”

Seline keek naar mij.

“En schikking?”

Ik pakte jas.

“Later.”

Godfried blokkeerde deur.

“Wacht.”

Bram keek hem aan.

“Ga opzij.”

“Wij hebben plan nodig.”

“Voor?”

“Geld.”

Ik glimlachte.

“Welk geld?”

“Anderhalf miljoen.”

Ik keek mijn broer recht aan.

“Dat is van mij.”

Hij lachte.

“Bro.”

“Wat?”

“Na alles wat wij voor jou gedaan hebben?”

Ik keek hem lang aan.

Toen naar mijn moeder.

Daar was kern.

Niet wat zij gestolen zouden hebben.

Wat zij dachten dat zij verdienden.

Ik ging naar buiten.

Bram naast mij.

In auto zei hij:

“Ze hebben zich net veel meer blootgegeven dan verstandig.”

Ik keek naar huis.

“Juridisch?”

“Dat zoeken we uit.”

“Moreel?”

Hij startte motor.

“Daar heb je geen advocaat voor nodig.”