IK LEGDE MIJN HUILENDE BABY OP DE BORST VAN EEN STERVENDE MILJONAIR

DEEL 2 — DE VIJF DAGEN

De volgende ochtend deed Reinout niets.

Geen knippering.

Geen vinger.

Niets.

Ik dacht dat ik hem kwijt was.

Niet omdat ik hem kende.

Eigenlijk kende ik hem nauwelijks.

Maar omdat ik nu wist dat ergens achter die gesloten ogen een volledig mens opgesloten kon zitten.

Om acht uur kwam wijkverpleegkundige Marije.

Zij werkte normaal drie ochtenden per week.

Ik trok haar in keuken.

‘Ik wil iets vragen zonder dat ik je meteen vertel wat ik denk.’

Ze fronste.

‘Dat klinkt geruststellend.’

‘Heeft meneer Van den Bergh gisteren extra medicatie gekregen volgens dossier?’

Marije opende digitale rapportage.

Scroll.

‘Niet dat ik zie.’

‘Dokter De Ruiter gaf iets om vier uur.’

‘Wat?’

‘Weet ik niet.’

‘Waarom staat het niet geregistreerd?’

‘Misschien later.’

‘Hij nam ampul mee.’

Marije keek op.

Daar veranderde iets.

‘Heb je etiket gezien?’

‘Geen officieel etiket. Alleen handschrift.’

‘Heb je foto?’

‘Nee.’

‘Goed.’

Ik was verrast.

‘Goed?’

‘Als jij heimelijk in dokterstas gaat fotograferen, krijg je bewijsproblemen én kun je jezelf in gevaar brengen.’

Precies reden waarom zij professional was.

‘Wat nu?’

‘Ik bel huisarts.’

De reguliere huisarts van Reinout heette dokter Vermeer.

Niet familiearts.

Gewone praktijkarts uit Heemstede.

Hij was duidelijk verbaasd toen Marije vertelde dat De Ruiter aanvullende medicatie had gegeven.

‘Ik heb niets nieuws voorgeschreven.’

Marije keek mij aan.

‘Kunt u komen?’

Hij kwam om elf uur.

Christiaan was weg.

Gelukkig.

Dokter Vermeer onderzocht Reinout uitgebreid.

‘Hij reageert nauwelijks.’

‘Vannacht reageerde hij wel,’ zei ik.

De huisarts keek.

‘Hoe?’

Ik vertelde.

Niet fluistering over Christiaan.

Nog niet.

Alleen bewustzijn.

Knipperen.

Minimale spraak.

‘Waarom heeft u mij niet meteen gebeld?’

‘Ik wist niet of ik het me verbeeldde.’

Hij knikte.

‘Begrijpelijk.’

Hij controleerde medicatielijst.

‘De Ruiter is internist geweest, toch?’

Marije:

‘Privéarts.’

Vermeer belde hem.

Op speaker niet.

Maar we hoorden toon.

‘Bastiaan, welke medicatie heb je gisteren gegeven?’

Pauze.

‘Nee, staat niet in dossier.’

Langer.

‘Waarom?’

Zijn gezicht verstrakte.

‘Dat ga ik niet telefonisch accepteren.’

Hij hing op.

‘Wat zei hij?’

‘Een kalmerend middel wegens vermeende onrust.’

‘Hij was niet onrustig.’

‘Dat is ook niet gerapporteerd.’

Dokter Vermeer keek mij.

‘Vanaf nu wordt iedere medicatietoediening door mij of vaste thuiszorg vastgelegd. Geen uitzonderingen.’

‘Kan hij dat bepalen?’

‘Als huisarts binnen thuiszorgplan: ik kan formeel verzoeken en ongeautoriseerde toediening melden. Als familie andere arts wil inschakelen, moeten verantwoordelijkheden helder.’

Hij liet bloed afnemen.

Regelde ambulance? Perhaps hospital eval. But Christiaan could interfere. Yet medically wise: because unexplained deterioration, send to hospital. Let's make he recommends transfer, but Christiaan objects. Since Reinout competent maybe if he signals yes, can consent. Need evaluate capacity. Doctor tests yes/no. Reinout might respond after time. Let's do.

Na twee uur begon Reinout weer lichte reactie te tonen.

Dokter Vermeer vroeg:

‘Meneer Van den Bergh, begrijpt u mij?’

Eén knipper.

‘Wilt u naar ziekenhuis voor onderzoek?’

Eén knipper.

‘Bent u bang voor iemand in dit huis?’

Reinouts ogen bewogen richting deur.

Geen knipper.

Vermeer keek mij.

‘We gaan hem laten beoordelen.’

Toen kwam Christiaan binnen.

‘Wat gebeurt hier?’

‘Ik heb ziekenhuisopname geregeld.’

‘Absoluut niet.’

Dokter Vermeer draaide.

‘Uw oom heeft zelf ingestemd.’

Christiaan lachte.

‘Hij kan helemaal niet communiceren.’

‘Dat kon hij zojuist wel.’

De kleur verdween uit Christiaans gezicht.

Slechts seconde.

Maar ik zag.

‘Dat is reflex.’

‘Dan mag ziekenhuis dat vaststellen.’

‘Dr. De Ruiter zegt dat transport te zwaar is.’

‘Ik ben zijn huisarts.’

‘Ik heb medische volmacht.’

Dokter Vermeer:

‘Een volmacht vervangt niet automatisch wilsbekwame patiënt.’

Christiaan werd rood.

‘Hij is niet wilsbekwaam.’

Van bed kwam een schor geluid.

Iedereen keek.

Reinouts lippen bewogen.

‘Zieken…huis.’

Eén woord.

Genoeg.

Christiaan werd krijtwit.

De ambulance kwam twintig minuten later.

Tijdens vervoer kneep Reinout in mijn vingers.

‘Sem,’ fluisterde hij.

‘Hij is bij Marije.’

‘Ga… mee.’

Ik ging.

Niet als familie.

Als degene die als eerste bewustzijn had waargenomen.

In ziekenhuis kreeg Reinout neurologische beoordeling, bloedonderzoek en observatie.

Nog diezelfde avond werd beveiliging ingeschakeld om bezoek te beperken totdat duidelijk was wie beslissingsbevoegd was.

Christiaan stond in hal te schreeuwen.

‘Ik ben zijn enige familie!’

Een verpleegkundige antwoordde kalm:

‘Hij is wakker genoeg om zelf aan te geven wie hij wil zien.’

‘Hij kan niet praten.’

Vanuit kamer klonk zwakke stem:

‘Niet… Christiaan.’

Ik stond buiten deur.

Mijn huid vol kippenvel.

Dat was moment waarop iedereen ophield hem uitsluitend als stervende man te behandelen.

En begon te beseffen dat hij misschien al weken getuige was geweest van gesprekken waarvan anderen dachten dat hij ze nooit kon navertellen.