DEEL 3 — WAT HET ZIEKENHUIS VOND
De volgende ochtend wist ik meer dan goed voor me was.
Niet omdat artsen mij medische details vertelden waarop ik geen recht had.
Omdat Reinout mijn naam expliciet opgaf als contactpersoon voor praktische informatie totdat zijn advocaat arriveerde.
Ik begreep eerst niet waarom.
‘Ik ben uw zorgverlener.’
Zijn stem was nauwelijks hoorbaar.
‘Jij… luisterde.’
Dat was alles.
Neurologen ontdekten dat zijn toestand niet paste bij snelle progressieve neurologische ziekte zoals familie had begrepen.
Er was wel degelijk een lichamelijk probleem geweest.
Waarschijnlijk een ernstige ontstekingsreactie na infectie met neuropathische uitval.
Maar mate van complete verlamming fluctueerde op manieren die nader onderzoek vereisten.
Bovendien liet toxicologisch onderzoek stoffen zien die niet logisch aansloten bij geregistreerde medicatie.
Artsen spraken niet van vergiftiging.
Nog niet.
Alleen:
‘onverklaarde aanwezigheid’.
Het ziekenhuis schakelde eigen juridische dienst en politie in.
Ik gaf verklaring.
Exact.
Geen theorieën.
Geen ‘Christiaan wilde hem vermoorden’.
Alleen wat ik zag.
Dokter De Ruiter werd verzocht zijn volledige medicatieadministratie over te dragen.
Hij deed dat niet direct.
Dat hielp hem niet.
De politie wilde tas onderzoeken, maar dat vereiste procedures.
Ik stond buiten dat alles.
Zoals het hoorde.
Reinout verbeterde binnen achtenveertig uur merkbaar.
Niet spectaculair.
Geen man die opstaat uit bed en rondloopt.
Hij kon vingers bewegen.
Korte zinnen.
Linkerarm iets heffen.
Slikken met ondersteuning.
Hij zei tegen rechercheur:
‘Ik hoorde bijna alles.’
‘Vanaf wanneer?’
‘Vier… weken.’
Mijn maag draaide.
Vier weken.
Christiaan had naast hem begrafenisondernemer gebeld.
Notaris besproken.
Aandelen.
Bankmachtigingen.
Reinout had alles gehoord.
‘Waarom maakte u niet eerder duidelijk dat u bij bewustzijn was?’
Hij sloot ogen.
‘Kon niet.’
‘Toen u wel kon?’
Hij keek naar mij.
‘Bang.’
Rechercheur:
‘Voor wie?’
Lange stilte.
‘Christiaan.’
Daar was beschuldiging van patiënt zelf.
Niet mijn interpretatie.
Diezelfde middag verscheen vrouw van ongeveer vijftig in donkerblauw pak.
‘Mr. Esther van Loon. Persoonlijk advocaat van Reinout.’
Christiaan had haar volgens mij niet verwacht.
‘Waar was u?’ vroeg ik later.
Ze keek scherp.
‘In het buitenland. En ik kreeg drie weken lang te horen dat cliënt niet aanspreekbaar was.’
‘Van wie?’
‘Familie.’
‘Christiaan.’
‘Onder andere.’
Zij had bijzondere instructies.
Als Reinout gedurende meer dan dertig dagen niet wilsbekwaam werd verklaard door twee onafhankelijke artsen, trad een zakelijke volmacht in werking.
Wie kreeg zakelijke zeggenschap?
Niet Christiaan alleen.
Een stichting.
Drie bestuurders.
Christiaan was er één.
De CFO, Marit Kuipers, één.
En een onafhankelijke accountant.
‘Dus hij kon niet zomaar alles erven,’ zei ik.
Esther:
‘Nee.’
‘Waarom dan zo’n haast?’
Ze keek naar deur.
‘Omdat een andere termijn bijna verliep.’
‘Welke?’
Reinout had zes weken vóór zijn instorting opdracht gegeven tot forensische audit binnen bedrijf.
Aanleiding:
verdachte betalingen via onderaannemers.
De auditcommissie had dertig werkdagen om voorlopige resultaten op te leveren.
Als Reinout vóór dat moment duurzaam wilsonbekwaam werd, kreeg interim-bestuur mogelijkheid audit ‘wegens continuïteitsbelang’ te herprioriteren.
Geen garantie dat die gestopt kon worden.
Wel vertraging.
‘Wie werd onderzocht?’
Esther keek mij.
‘Onder andere vennootschappen waarbij Christiaan betrokken was.’
Daar.
Niet huis.
Niet alleen erfenis.
Controle.
Reinout lag niet toevallig op rand van deadline.
Hij had iemand onderzocht.
En vlak daarna was hij ziek geworden.
Maar Esther remde meteen.
‘We weten nog niet of die twee zaken samenhangen.’
‘Hij zegt van wel.’
‘Hij vermoedt.’
‘Belangrijk verschil.’
‘Heel.’
Ik begon te begrijpen waarom Reinout haar vertrouwde.
Feiten boven drama.
Die avond mocht Christiaan niet naar kamer.
Hij stuurde mij bericht:
Jij hebt geen idee met wie je je bemoeit. Pak je kind en verdwijn voordat je jezelf alles afneemt.
Ik liet telefoon aan Esther zien.
Zij maakte screenshot via officiële weg.
‘Niet antwoorden.’
‘Was ik niet van plan.’
‘En ga vannacht niet alleen terug naar villa.’
Mijn maag zakte.
‘Mijn spullen zijn daar.’
‘Spullen kunnen wachten.’
‘Sem zijn bed.’
‘Koop ander.’
Ik lachte bitter.
‘Met welk geld?’
Ze keek.
‘Reinout heeft mij opdracht gegeven hotel en noodzakelijke kosten te betalen zolang u getuige bent en toegang tot villa risico vormt.’
‘Dat wil ik niet.’
‘Waarom?’
‘Omdat iedereen straks zegt dat ik geld krijg van miljonair.’
‘Laat ze.’
‘Makkelijk.’
‘Sanne.’
Ze keek mij strak aan.
‘Veiligheid eerst. Reputatie later.’
Die zin bleef.
Ik sliep die nacht met Sem in eenvoudig hotel.
Voor het eerst in maanden hadden we eigen kamer.
Geen dienstbel.
Geen Christiaan.
Geen marmeren gangen.
Ik lag wakker.
Niet uit angst voor geld.
Uit angst omdat ik ineens begreep dat als Christiaan werkelijk fraude had gepleegd, ik niet meer alleen vrouw was die iets vreemds zag.
Ik was getuige die Reinout levend had horen zeggen:
Vertel niemand dat ik wakker ben.
En iemand wist inmiddels dat ik geluisterd had.