IK LEGDE MIJN HUILENDE BABY OP DE BORST VAN EEN STERVENDE MILJONAIR

DEEL 5 — WAAROM SANNE WAS AANGENOMEN

Ik ontdekte bij toeval dat ik nooit willekeurig voor die baan was gekozen.

Esther liet mijn arbeidsovereenkomst zien.

‘Wie heeft mij eigenlijk aangenomen?’

‘Een thuiszorgbemiddelaar.’

‘Wie gaf eisen?’

Ze keek document.

‘Reinout zelf.’

Mijn maag trok.

‘Hij was toen al ziek.’

‘In begin nog aanspreekbaar.’

‘Waarom mocht ik Sem meenemen?’

‘Dat staat als expliciete voorwaarde van cliënt.’

Ik fronste.

‘Hij kende mij niet.’

Esther bladerde.

Er zat notitie.

Nachtdienst: bij voorkeur vaste persoon zonder band met familie of onderneming. Kind meenemen toegestaan indien dit stabiliteit medewerker bevordert.

‘Waarom iemand zonder band?’

‘Waarschijnlijk privacy.’

Maar Reinout, die inmiddels meer kon praten, gaf andere uitleg.

‘Ik wist… Christiaan… mensen kende.’

‘Dus u wilde buitenstaander.’

‘Ja.’

‘Waarom ik?’

‘Bureau gaf drie profielen.’

‘En?’

Hij glimlachte zwak.

‘Jij vroeg… in gesprek… wie beslissing mocht nemen als ik wakker werd.’

Ik herinnerde.

Tijdens intake had ik gezegd:

‘Als iemand niet kan praten, hoe weet ik dan wat hij wil?’

Christiaan had gelachen.

‘Hij wil niets meer. Comfort is doel.’

Ik had dat vreemd gevonden.

Reinout had blijkbaar gehoord van gesprek? At intake he may have been conscious but not speaking. He perhaps blinked unnoticed. Good.

‘U hoorde dat?’

‘Ja.’

Mijn huid kreeg kippenvel.

Dus zelfs toen.

Hij had mij geselecteerd omdat ik één irritante vraag stelde.

Niet heldhaftig.

Gewoon irritant.

‘Waarom zei u niets?’

‘Kon nauwelijks.’

‘U had toen al momenten van bewustzijn?’

‘Ja.’

‘Hoe lang?’

‘Vanaf… week twee.’

Hij had dus zes weken gevangenschap in eigen lichaam ervaren.

Ik kon nauwelijks bevatten.

‘Wat hoorde u?’

Hij sloot ogen.

‘Te veel.’

Christiaan had naast hem gesproken met notaris over testament.

Maar testament kon niet eenvoudig veranderd.

Reinout had vlak vóór ziekte juist wijzigingen voorbereid.

Niet ten gunste van Christiaan.

Hij wilde meerderheid van bedrijfsstemrecht na zijn dood onderbrengen in stichting met medewerkersvertegenwoordiging en onafhankelijke bestuurders.

Christiaan zou economisch erfdeel krijgen, maar geen controle.

‘Wist hij?’

‘Concept gevonden.’

Daar was echte erfenisdruk.

Niet geld alleen.

Macht.

Als Reinout overleed vóór ondertekening nieuwe structuur, gold oude testament/stichtingsregeling waarin Christiaan veel meer invloed kreeg.

Was nieuwe regeling al rechtsgeldig?

Esther glimlachte voor het eerst.

‘Gelukkig wel gedeeltelijk.’

Reinout had notariële volmacht en besluiten getekend vóór instorting.

Christiaan wist dat niet.

Dus zelfs als Reinout stierf, zou hij niet krijgen wat hij dacht.

‘Waarom vertelde u hem dat niet?’

Esther:

‘Cliënt gaf instructie veranderingen pas na medische crisis formeel te communiceren.’

‘Waarom?’

Reinout:

‘Ik wilde zien… wat hij deed.’

Ik werd boos.

‘U gebruikte uw eigen coma als test?’

Hij keek schuldig.

‘Niet gepland.’

‘Maar toen u wakker werd bleef u stil.’

‘Bang. En… wilde weten.’

‘Dat is gevaarlijk.’

‘Weet ik.’

‘U had eerder hulp moeten vragen.’

‘Kon.’

‘Toen u wel kon?’

Hij keek naar mij.

‘Ik vertrouwde niemand.’

Daar kon ik minder tegenin brengen.

Maar ik zei:

‘U vertrouwde uiteindelijk een vrouw die haar baby op u parkeerde.’

Hij lachte.

Een schor, gebroken geluid.

‘Sem overtuigend.’

Ik keek naar mijn zoon in kinderwagen.

‘Dat hoort hij graag.’

DEEL 6 — CHRISTIAAN KOMT NAAR MIJ TOE

Hij wachtte bij hotel.

Dat wist ik niet.

Ik kwam met Sem terug van supermarkt.

Christiaan stond bij ingang.

Mijn hele lichaam spande.

‘Ga weg.’

‘We moeten praten.’

‘Nee.’

‘Sanne.’

Ik stapte achteruit.

‘Als je dichterbij komt, bel ik politie.’

Hij stak handen.

‘Rustig.’

‘Nee.’

Goed woord.

Niet rustig zijn voor zijn gemak.

‘Ik wil alleen uitleggen.’

‘Via advocaat.’

‘Jij denkt nu dat ik oom probeer te vermoorden.’

‘Ik heb nooit gezegd wat ik denk.’

‘Iedereen denkt het.’

‘Dan praat met recherche.’

Hij lachte bitter.

‘Omdat jij daar met je verhalen kwam.’

‘Ik vertelde wat ik zag.’

‘Je begrijpt geneeskunde niet.’

‘Klopt.’

‘De Ruiter wel.’

‘Dan kan hij het uitleggen.’

Christiaan kneep kaken.

‘Weet je hoeveel schade dit veroorzaakt?’

‘Geen idee.’

‘Onze klanten bellen. Banken vragen. Medewerkers zijn bang.’

‘Dat klinkt als bedrijfsprobleem.’

‘Jij hebt dit gestart.’

Daar was het.

Niet zijn keuzes.

Mijn melding.

‘Nee.’

‘Wat?’

‘Ik heb ziekenhuis gebeld omdat patiënt reageerde en daarna onverklaard verslechterde. Alles daarna komt uit feiten die anderen vinden.’

Hij keek naar Sem.

Dat vond ik niet prettig.

Ik zette kinderwagen achter mij.

‘Niet naar mijn kind kijken.’

Hij zuchtte.

‘Denk je echt dat ik iets doe?’

‘Ik denk dat gesprek voorbij is.’

‘Reinout manipuleert je.’

Ik stopte.

‘Wat?’

‘Hij doet alsof hij slachtoffer is. Oom heeft altijd mensen getest, tegen elkaar uitgespeeld.’

Interessant.

Mogelijk deels waar.

‘Waarom zou hij mij manipuleren?’

‘Omdat jij arm bent.’

Mijn gezicht werd warm.

‘Pardon?’

‘Hij weet dat jij afhankelijk bent. Hij geeft straks geld, huis, baan. En jij denkt dat je loyaal moet zijn.’

Ik voelde vernedering.

Omdat mijn financiële situatie waar was.

‘Ik heb niets van hem gevraagd.’

‘Nog niet.’

‘Ga.’

‘Sanne, ik bied je iets aan.’

Natuurlijk.

‘Vijftigduizend.’

Ik lachte.

Hard.

‘Waarvoor?’

‘Om je arbeidsovereenkomst netjes te beëindigen en jezelf uit familiezaken terug te trekken.’

‘Dat heet zwijggeld.’

‘Nee. Schadeloosstelling.’

‘Voor welke schade?’

‘Jij kunt niet terug naar villa.’

‘Dat betaalt bedrijf volgens contract.’

Hij werd geïrriteerd.

‘Honderdduizend.’

Ik pakte telefoon.

‘Ik bel nu politie.’

‘Wacht.’

Ik drukte nummer hotelbeveiliging.

Geen heldhaftige geheime opname.

Geen onderhandelen.

Personeel kwam.

Christiaan vertrok.

Ik schreef tijd en aanbod op.

Vertelde Esther.

Zij:

‘Goed dat je niet hebt aangenomen.’

‘Denkt u?’

Ze keek droog.

‘Sarcasme?’

‘Een beetje.’

Het aanbod werd later relevant.

Niet als bewijs van poging tot moord.

Wel als bewijs dat Christiaan mij uit dossier wilde hebben.

Zijn advocaat beweerde dat hij alleen ‘arbeidsconflict’ wilde schikken.

Misschien.

Maar de timing was rampzalig.

Diezelfde avond vroeg Reinout:

‘Hoeveel?’

‘Wat?’

‘Bood hij?’

‘Honderdduizend.’

Hij sloot ogen.

‘Klootzak.’

‘Dat is medische vooruitgang. Volledige zin.’

Hij lachte.

Toen serieus:

‘Ik betaal… meer.’

Mijn gezicht verstrakte.

‘Nee.’

‘Voor veiligheid.’

‘Hotelkosten via advocaat is genoeg.’

‘Sem.’

‘Nee.’

‘Sanne—’

‘Ik wil niet dat Christiaan gelijk krijgt dat ik hier blijf omdat jij mij koopt.’

Reinout keek lang.

‘Trots.’

‘Ja.’

‘Duur.’

‘Ook.’

Hij knikte.

‘Dan geen geld.’

‘Dank.’

‘Wel loon.’

‘Dat is contract.’

‘Ja.’

We begrepen elkaar.

Grenzen.

Misschien was dat eerste moment waarop Reinout mij niet alleen als redder zag.

Maar als iemand met eigen voorwaarden.