DEEL 2 — De vrouw die hij had achtergelaten
Garrett keek van de twee geüniformeerde mannen naar de drie zwarte voertuigen op zijn oprit.
“Het militaire dienstverleden van mijn vrouw?”
Hij lachte nerveus.
“Er moet sprake zijn van een vergissing. Vivian heeft nooit in het leger
De oudste van de twee mannen veranderde geen spier.
“Dat heeft ze wel, meneer Colton.”
Garretts glimlach verdween.
“Wie bent u?”
De man haalde een legitimatiebewijs uit zijn jas.
“Kolonel Van Dalen.”
Garrett keek naar het bewijs, maar de naam zei hem niets.
“En waarom staat een kolonel voor mijn huis?”
Van Dalen keek hem enkele seconden zwijgend aan.
“Omdat uw vrouw twee dagen geleden met spoed naar het ziekenhuis is gebracht en haar naam tijdens de medische intake een protocol heeft geactiveerd.”
Garrett fronste.
“Een protocol?”
“Voor voormalig militair personeel met een bepaalde staat van dienst.”
Garrett keek opnieuw naar de zwarte auto’s.
Hij begreep er niets van.
Vivian?
Zijn Vivian?
De vrouw die ‘s ochtends thee dronk aan het keukenraam?
Die vergat haar telefoon op te laden?
Die altijd naar een andere kamer ging wanneer er vuurwerk werd afgestoken?
Die nooit wilde praten over de jaren voordat ze elkaar hadden ontmoet?
“Waar is ze?” vroeg hij.
“In het ziekenhuis.”
“En mijn zoon?”
Van Dalen zweeg.
Slechts twee seconden.
Maar voor Garrett voelden die twee seconden als een eeuwigheid.
“Leeft hij?”
“Uw zoon leeft.”
Garrett ademde uit.
Zijn schouders zakten.
“Godzijdank.”
Hij pakte onmiddellijk zijn telefoon.
“Ik ga naar het ziekenhuis.”
“Dat lijkt me verstandig.”
Garrett liep naar zijn auto, maar Van Dalens volgende woorden hielden hem tegen.
“Voordat u vertrekt, meneer Colton, moet u iets begrijpen.”
Garrett draaide zich om.
“Uw vrouw heeft het bijna niet overleefd.”
De wereld leek stil te vallen.
“Wat?”
“Ze werd bewusteloos aangetroffen toen de ambulance arriveerde. Haar bloeddruk was gevaarlijk hoog. Er waren ernstige complicaties tijdens de bevalling.”
Garrett voelde zijn vingers koud worden.
“Maar ze is toch…”
“Ze leeft.”
Garrett sloot zijn ogen.
Een golf van opluchting ging door hem heen.
Maar Van Dalen was nog niet klaar.
“De artsen hebben een spoedkeizersnede moeten uitvoeren.”
Garrett keek naar de grond.
Plotseling hoorde hij opnieuw Vivians stem.
Onze zoon heeft je nu nodig.
Hij herinnerde zich hoe ze op de keukenvloer zat.
Hoe bleek ze was geweest.
Hoe haar hand het aanrecht had vastgegrepen.
Hoe ze hem had aangekeken.
Niet boos.
Bang.
Ze was bang geweest.
En hij had zijn sleutels gepakt.
“Waarom heeft niemand mij gebeld?”
Van Dalen keek hem strak aan.
“Ze hebben u gebeld.”
Garrett verstijfde.
“Wat?”
“Meerdere keren.”
Garrett pakte zijn telefoon.
Toen herinnerde hij het zich.
Tijdens het verjaardagsdiner had hij zijn telefoon op stil gezet.
Zijn moeder had geklaagd dat Vivian de avond probeerde te verpesten.
Toen er een onbekend nummer op zijn scherm verscheen, had Garrett het weggedrukt.
Daarna nog een keer.
En nog een keer.
Hij had zelfs tegen zijn broer gezegd:
“Als het belangrijk is, bellen ze morgen wel.”
Zijn maag draaide zich om.
“Mijn telefoon stond op stil.”
Van Dalen zei niets.
Dat was erger dan iedere beschuldiging.
Garrett stapte in zijn auto.
De rit naar het ziekenhuis duurde zevenentwintig minuten.
Hij herinnerde zich er later nauwelijks iets van.
Alles wat hij zag was Vivian op die keukenvloer.
Alles wat hij hoorde waren zijn eigen woorden.
Je doet dit weer.
Je maakt alles altijd over jezelf.
Je kunt nog wel een paar uur wachten.
Toen hij het ziekenhuis binnenstormde, liep hij rechtstreeks naar de balie.
“Vivian Colton. Mijn vrouw. Ze is twee dagen geleden binnengebracht.”
De receptioniste keek naar haar scherm.
Toen veranderde haar uitdrukking.
“Een moment, alstublieft.”
Ze pakte de telefoon.
Garrett voelde paniek opkomen.
“Is ze in orde?”
“Een arts komt zo met u praten.”
“Ik wil mijn vrouw zien.”
“Meneer—”
“En mijn zoon.”
Een verpleegkundige verscheen vanuit de gang.
“Meneer Colton?”
“Ja.”
“Komt u mee.”
Garrett volgde haar.
Maar ze bracht hem niet naar Vivian.
Ze bracht hem naar een kleine familiekamer.
Een arts wachtte daar.
“Dr. Smit,” zei de vrouw terwijl ze hem een hand gaf.
Garrett ging niet zitten.
“Waar is mijn vrouw?”
“Ze is stabiel.”
“Kan ik haar zien?”
“Dat bepaalt zij.”
Hij knipperde.
“Wat bedoelt u?”