Klinisch dood... en toch zweert deze patiënt zich levendiger te voelen dan ooit tevoren...

Volgens haar was het iets wat ze tijdens haar ervaring eenvoudigweg leek te weten.

De terugkeer was allesbehalve eenvoudig

Uiteindelijk kwam Brianna terug.

Maar het wakker worden betekende niet dat alles onmiddellijk weer normaal was.


Volgens haar verhaal was haar lichaam ernstig verzwakt en moest ze opnieuw leren functioneren.

Lopen en spreken werden opnieuw uitdagingen.

Ook kreeg ze te maken met lichamelijke gevolgen en problemen met haar hormoonhuishouding. Uiteindelijk was volgens de berichtgeving zelfs een experimentele hersenoperatie nodig.

De ervaring die voor haar tijdens die acht minuten zo vredig was geweest, maakte plaats voor een moeilijke periode van herstel.


Toch zegt ze dat ze haar ervaring niet als iets negatiefs ziet.

Integendeel.

Ze zegt dat ze sindsdien anders naar haar leven kijkt.

Is ze nu minder bang voor de dood?


Volgens Brianna wel.

Ze beweert niet dat ze precies weet wat er na de dood gebeurt.

Maar de ervaring heeft haar angst voor de dood naar eigen zeggen sterk verminderd.

Tegelijkertijd waardeert ze het leven naar eigen zeggen juist meer.


Kleine dingen kunnen belangrijker worden wanneer iemand het gevoel heeft gehad dat hij of zij alles in één moment kon verliezen.

Daarom zegt Brianna dat ze bewuster probeert te leven en beter let op haar gedachten.

Niet omdat ze denkt dat elke gedachte letterlijk de werkelijkheid creëert, maar omdat onze gedachten volgens haar een grote invloed hebben op hoe we het leven ervaren.

Wat zegt de wetenschap over bijna-doodervaringen?


Hier wordt het verhaal ingewikkelder.

Onderzoekers hebben al tientallen jaren belangstelling voor bijna-doodervaringen.

Mensen die een hartstilstand of andere levensbedreigende situatie hebben overleefd, beschrijven soms vergelijkbare ervaringen: een gevoel buiten het lichaam te zijn, een helder licht te zien, diepe rust te ervaren, overleden familieleden te ontmoeten of een soort grens te bereiken.

Maar wetenschappers zijn het niet eens over één definitieve verklaring voor al deze ervaringen.


Een mogelijke verklaring heeft te maken met veranderingen in de hersenen wanneer de bloedtoevoer en zuurstoftoevoer sterk veranderen.

Ook veranderingen in hersenactiviteit, neurotransmitters en de manier waarop de hersenen tijd, ruimte en het eigen lichaam verwerken, kunnen een rol spelen.

Bepaalde hersengebieden zijn betrokken bij onze lichaamswaarneming en ruimtelijke oriëntatie. Verstoringen in deze systemen kunnen mogelijk bijdragen aan het gevoel dat iemand zijn lichaam van buitenaf bekijkt.