‘Ze zijn weggegaan.’
Ik greep de rand van het bed.
‘Weggegaan waarheen?’
‘Naar huis, denk ik.’
‘Ze zijn acht en drie.’
Mark probeerde overeind te komen.
‘Wat is er?’
Ik hield mijn hand naar hem op.
Mijn vader praatte door.
‘Marja zei dat jij dit expres deed.’
‘Wat expres deed?’
‘De kinderen brengen terwijl je wist dat we bezoek kregen.’
Ik kon een paar seconden niets zeggen.
‘Pap, mijn man ligt met een klaplong in het ziekenhuis.’
‘Dat weet ik.’
‘En jullie hebben twee kleine kinderen buiten gezet?’
‘Ik niet.’
Die woorden sneden harder dan wanneer hij had geschreeuwd.
‘Jij was daar.’
Hij zweeg.
Ik hing op.
Daarna belde ik 112.
Binnen enkele minuten werd duidelijk hoe ernstig het was.
Noor kende de route tussen mijn ouders en ons huis alleen vanuit de auto.
Te voet was het ruim zeven kilometer.
Het was donker.
Het vroor.
En Lotte kon onmogelijk zo ver lopen.
De centralist vroeg wat de meisjes droegen.
Mijn mond weigerde bijna de woorden te vormen.
‘Noor heeft een donkerblauwe winterjas. Roze muts. Lotte een rode jas. Witte muts met twee bolletjes.’
Mark keek me aan.
Zijn gezicht was grauw geworden.
‘Ze hebben ze buiten gezet?’
Ik knikte.
Hij probeerde zijn infuus los te trekken.
‘Ik ga mee.’
‘Nee.’
‘Dat zijn mijn dochters.’
‘En jij hebt een klaplong.’
‘Sophie—’
‘Ik vind ze.’
Ik zei het harder dan ik het voelde.
De politie vroeg mij naar huis te rijden en onderweg mijn telefoon vrij te houden.
Noors smartwatch had geen mobiele verbinding. Ze had een eenvoudige telefoon voor noodgevallen, maar die nam niet meer op.
Later bleek waarom.
De batterij was leeg.
Om 19.21 uur reed ik langs de route waarvan ik dacht dat Noor die zou kiezen.
Iedere kleine gestalte langs de weg deed mijn hart stoppen.
Niets.
Om 19.34 uur belde een agent.
‘Mevrouw Van Dijk, we hebben camerabeelden van een tankstation.’
‘Zijn ze daarop?’
‘Ja.’
Mijn keel sloot dicht.
‘Wanneer?’
‘Om 18.17 uur.’
Meer dan een uur geleden.
Op de beelden liep Noor langs het fietspad met Lotte aan haar hand.
Lotte huilde.
Noor wees meerdere keren vooruit.
Ze dacht dat ze wist waar ze heen moest.
Ze wist het niet.
Twintig minuten later registreerde een andere camera hen bij een rotonde.
De verkeerde kant op.
Ik sloeg met mijn hand tegen het stuur.
‘Nee, Noor. Nee.’
De politie stuurde wagens naar dat gebied.
Om 19.52 uur kwam het volgende telefoontje.
‘We hebben een getuige.’
Een vrouw die haar hond uitliet, had rond zeven uur twee meisjes gezien bij een bushalte.
‘Was Lotte aan het lopen?’
De agent zweeg een fractie te lang.
‘De oudste droeg het jongste meisje op haar rug.’
Ik drukte mijn vuist tegen mijn mond.
Noor woog misschien zevenentwintig kilo.
Lotte bijna vijftien.
Mijn achtjarige dochter had haar kleine zusje door de vrieskou gedragen omdat de volwassenen die hen hadden moeten beschermen de deur hadden dichtgeslagen.
‘Waar?’
De agent gaf mij de locatie.
Ik reed erheen.
De bushalte was leeg.
Op het bankje lag één roze kinderhandschoen.
Van Noor.
Ik pakte hem op.
Hij was vochtig en ijskoud.
Mijn knieën gaven bijna mee.
Een agent pakte mijn arm.
‘Mevrouw, we zoeken verder.’
‘Ze was hier.’
‘Dat weten we.’
‘Ze was hier.’
Alsof herhalen haar terug kon brengen.
Toen ging de portofoon van de agent.
Een melding.
Twee kinderen gezien langs een landweg richting Harmelen.
We sprongen in de auto’s.
Ik weet niet meer hoe lang die rit duurde.
Misschien zes minuten.
Misschien twintig.
Ik herinner me alleen de koplampen die over kale bomen gleden en mijn eigen vingers die zo hard om mijn jas trokken dat mijn nagels pijn deden.
Toen zag ik blauwe zwaailichten.
Een politieauto stond schuin langs de weg.
Ik sprong uit voordat onze auto volledig stilstond.
‘Noor!’