‘Ik wil haar bellen.’
Mijn hart begon zo hard te bonzen dat ik bijna misselijk werd.
‘Nu?’
Ze knikte.
‘Maar ik moet eerst vragen of ze u wil spreken.’
Ik voelde angst.
Wat als Emily nee zei?
Wat als ze me nog steeds haatte?
Rebecca liep enkele meters bij me vandaan.
Ze telefoneerde bijna tien minuten.
Ik kon haar woorden niet verstaan.
Maar ik zag hoe haar gezicht veranderde.
Eerst verbaasd.
Daarna verdrietig.
En uiteindelijk glimlachte ze.
Toen kwam ze terug.
‘Emily wil u ontmoeten.’
Een uur later stonden we voor een klein wit huis.
Er groeiden bloemen langs de voordeur.
Op de veranda stond een houten schommelstoel.
Mijn benen trilden.
Rebecca legde haar hand op mijn schouder.
‘Bent u er klaar voor?’
Ik schudde mijn hoofd.
‘Nee.’
Ze glimlachte voorzichtig.
‘Dat geeft niets.’
Toen ging de deur open.
Een vrouw verscheen.
Ze had donker haar.
Vriendelijke ogen.
En een kleine moedervlek naast haar lip.
Mijn adem stokte.
‘Emily?’
Ze bleef staan.
Haar ogen vulden zich onmiddellijk met tranen.
‘Mama?’
Ik weet niet wie als eerste begon te lopen.
Misschien zij.
Misschien ik.
Maar plotseling stonden we midden op het tuinpad.
En hield ik mijn dochter vast.
Na zestien jaar.
Ik voelde haar armen om mijn schouders.
Haar gezicht tegen mijn hals.
En ik hoorde haar huilen.
‘Mama…’
Ik kon alleen maar dezelfde woorden herhalen.
‘Het spijt me, lieverd.’
Ze hield me steviger vast.
‘Ik dacht dat je me niet meer wilde.’
Ik schudde mijn hoofd.
‘Nooit, Emily. Nooit.’
We gingen naar binnen.
De woonkamer was eenvoudig ingericht.
Op de schoorsteenmantel stonden foto’s.
Emily op haar werk.
Emily met Rebecca.
En een foto van een klein meisje.
Ik bleef staan.
‘Wie is dat?’