‘Femke begrijpt wat goed voor haar is.’
‘Dat was mijn vraag niet.’
Mijn vader glimlachte naar de fotograaf. Niemand die later naar de foto keek, zou zien dat hij mij bedreigde.
‘Je hebt drie jaar geleden al genoeg schade aangericht,’ fluisterde hij. ‘Daan is weg. Jij bent alleen. Accepteer het.’
‘Daan is niet weg.’
Zijn hand verstijfde.
Het duurde slechts een seconde. Lang genoeg.
‘Wat zei je?’
‘Je hebt me gehoord.’
De fotograaf vroeg ons nog wat dichter naar de fontein te schuiven. Mijn vader zette één stap. Zijn schoen raakte de hak van de mijne.
Daarna gaf hij een korte, harde duw.
Mijn evenwicht verdween. Mijn heup sloeg tegen de stenen rand en ik viel achterover in het ijskoude water. Mijn hoofd ging onder. Mijn knie schuurde langs de bodem.
Boven mij klonk applaus.
Een paar gasten dachten kennelijk dat het bij de fotosessie hoorde. Iemand riep dat het een goede grap was. Toen ik overeind kwam en het water uit mijn haren streek, stierf het applaus langzaam weg.
Mijn jurk plakte tegen mijn benen. Bloed liep vanuit een snee op mijn handpalm naar mijn pols.
Mijn vader stak zijn hand uit.
‘Kom nou, het was maar—’
Ik sloeg zijn hand weg.
Niet hard. Wel duidelijk.
Ik keek hem recht aan.
‘Onthoud dit moment.’
Mijn stem was rustig. Dat maakte hem nerveuzer dan wanneer ik had geschreeuwd.
‘Wat bedoel je daarmee?’
Achter hem gingen de glazen deuren van de balzaal open.
De eerste die binnenkwam was Daan Smit.
Hij was drieënveertig, droeg een donkergrijs pak en had meer grijs bij zijn slapen dan drie jaar geleden. In zijn linkerhand hield hij een kleine rode regenjas. Aan zijn rechterhand liep een meisje van tweeënhalf met donkere krullen en gele laarsjes.
Onze dochter, Mila.
Achter hen kwamen notaris Jeroen Bakker, twee rechercheurs van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst en een vrouw van het Openbaar Ministerie.
Mijn vader draaide zich om.
Zijn gezicht veranderde niet spectaculair. Willem Vermeer was geen man die instortte. Hij liet alleen de microfoon uit zijn hand glijden.
Die viel op de stenen vloer en gaf een doffe dreun door de luidsprekers.
‘Dat kan niet,’ zei hij.
Daan keek eerst naar mij in de fontein. Zijn mond trok strak. Daarna tilde hij Mila op en liep naar me toe.
‘Mama is nat,’ zei Mila.
‘Dat zie je goed,’ zei Daan.
Hij trok zijn colbert uit en sloeg het om mijn schouders. Toen boog hij zich naar mijn hand.
‘Ben je gewond?’
‘Alleen genoeg om eindelijk verstandig te worden.’
Mijn vader kwam dichterbij.
‘Jij wordt gezocht.’
Daan keek op.
‘Nee, Willem. Dat heb jij iedereen verteld.’
‘Er loopt een onderzoek naar jou.’
‘Er loopt inderdaad een onderzoek.’
Daan knikte naar de twee rechercheurs.
‘Alleen niet naar mij.’
De gasten bij de deuren weken opzij. Niemand lachte meer. Oom Kees hield een bitterbal halverwege zijn mond en leek vergeten te zijn waarvoor die diende.
Lars kwam de tuin in met de blauwe map tegen zijn borst.
‘Dit is een besloten bijeenkomst,’ zei hij tegen de rechercheurs. ‘Als advocaat verzoek ik u het terrein te verlaten.’
De vrouwelijke rechercheur liet haar legitimatie zien.
‘Dan verzoek ik u als advocaat om die map niet open te maken en niets eruit te verwijderen.’
Lars’ hand bleef op de sluiting liggen.
Femke stond achter hem. Ze droeg nog steeds haar boeket, maar de stelen waren geknakt waar ze die te stevig vasthield.
‘Eline,’ zei ze. ‘Is hij echt jouw—’
‘Echtgenoot,’ zei ik.
Mijn vader keek van Daan naar mij.
‘Jullie zijn getrouwd?’
‘Bijna drie jaar.’
‘En dat kind?’
Daan legde zijn hand over Mila’s oor, hoewel ze te jong was om de toon volledig te begrijpen.
‘Onze dochter.’
Mijn vader keek naar haar alsof iemand onverwacht een onbekende aandeelhouder aan tafel had gezet. Niet als naar zijn kleindochter.
Dat was precies waarom hij niets over haar had geweten.
Drie jaar eerder waren Daan en ik op een regenachtige dinsdagochtend in Nieuwegein getrouwd. Er waren vier mensen aanwezig: wij, twee getuigen en een ambtenaar die na afloop vroeg of we nog plannen hadden.
We aten friet in de auto.
Niet omdat we ons schaamden, maar omdat Daan op dat moment al informatie aan de FIOD verstrekte. Mijn vader had mensen laten volgen. Er waren onbekende telefoontjes geweest, een opengebroken brievenbus en een envelop met foto’s van mijn voordeur.
Toen ik zwanger bleek, hadden we één besluit genomen: Willem zou niets over ons kind weten zolang hij macht over ons leven probeerde te houden.
Voor de buitenwereld woonde Daan tijdelijk in Duitsland. In werkelijkheid verbleef hij afwisselend op beveiligde adressen terwijl onderzoekers zijn administratie controleerden.
Hij was nooit aangeklaagd.
Hij had drie jaar lang geholpen om te bewijzen wie het geld werkelijk had weggesluisd.
‘Dit is krankzinnig,’ zei mijn vader. ‘Je houdt mijn kleinkind voor me verborgen en verschijnt hier om een bruiloft te verpesten?’