“Papa?”
Mijn dochter stond nog steeds met haar telefoon in haar hand. De blauwe zwaailichten van de politie bewogen over de muren, maar ik zag ze nauwelijks. Mijn aandacht bleef bij het bericht op haar scherm.
Vraag je vader waar hij vanavond om 22:40 uur was.
Ik keek naar het kaartje op tafel.
22:40.
Ik wist waar ik was geweest.
“Ik was thuis.”
Mijn dochter fronste.
“Alleen?”
“Ja.”
“Kun je dat bewijzen?”
Die vraag kwam harder aan dan ik had verwacht.
“Ik denk het wel.”
Ze wachtte.
Ik liep naar mijn jas die over een stoel hing en haalde mijn telefoon uit de zak. Ik opende mijn berichten en daarna mijn agenda. Om 22:37 uur had ik een bericht gestuurd naar een vriend. Om 22:43 uur had ik een gemiste oproep gehad.
“Mijn telefoon was thuis.”
“Dat betekent niet dat jij thuis was.”
“Nee.”
Ik keek haar aan.
“Maar ik was er wel.”
Mijn dochter keek naar het scherm.
“Waarom zou iemand jou naar 22:40 uur vragen?”
“Ik weet het niet.”
Dat was de waarheid.
De deurbel ging.
Mijn dochter schrok en trok haar dochter instinctief dichter tegen zich aan.
“Dat zijn de agenten,” zei ik.
Ze liep naar de voordeur en keek eerst door het raam voordat ze opendeed.
Twee agenten stonden buiten.
Mijn dochter liet hen binnen en vertelde in korte zinnen wat er was gebeurd. Ze wees naar de envelop, het hotelsleutelhoesje en het kleine kaartje.
Een van de agenten hurkte bij de spullen neer.
“Raak voorlopig niets meer aan.”
Mijn dochter knikte.
De andere agent keek naar mijn kaak.
“U bent gewond?”
“Ja.”
“U moet medisch onderzocht worden.”
“Ik ga mee zodra mijn kleindochter veilig is.”
De agent keek naar het meisje en knikte.
“Dat regelen we.”
Daarna pakte hij zijn notitieboek.
“U zei dat er een hotelhoesje uit de tas van de vrouw is gevallen?”
“Ja.”
“En dit kaartje zat in het medicijntasje?”
Mijn dochter bevestigde het.
De agent keek naar het kaartje.
“Waar komt dat tijdstip vandaan?”
“We weten het niet.”
Hij keek naar mij.
“Was u om 22:40 uur ergens anders?”
Ik voelde mijn kaak aanspannen.
“Nee.”
Mijn dochter keek naar mij.
“Papa, vertel hem alles.”
Ik zuchtte.
“Om 22:40 uur zat ik thuis aan mijn keukentafel. Ik had net met mijn vriend gebeld. Daarna ben ik naar bed gegaan.”
“Hoe laat kwam u hier?”
“Vanavond. Rond acht uur.”
De agent schreef het op.
“En u had daarvoor contact met uw dochter?”
“Niet vandaag.”
De agent keek even op.
“Waarom niet?”
“Omdat we elkaar niet elke dag spreken.”
Mijn dochter keek naar de grond.
Er was niets verdachts aan. Toch voelde het alsof elk antwoord een nieuwe vraag opriep.
Toen kwam de tweede agent terug uit de woonkamer.
“Er is iets vreemds.”
Iedereen keek naar hem.
Hij hield een klein plastic voorwerp vast.
“Dit lag onder de bank.”
Mijn dochter herkende het niet.
Ik wel.
Niet omdat ik het eerder had gezien.
Maar omdat het precies leek op een klein onderdeel van een sleutelkaart.
“Waar kwam dat vandaan?” vroeg ik.
De agent schudde zijn hoofd.
“Dat moeten we uitzoeken.”
Mijn dochter keek naar het hotelsleutelhoesje.
“Misschien hoort het daarbij.”
“Misschien,” zei de agent. “Maar we gaan niets aannemen.”
Hij stopte het voorwerp in een bewijszak.
Mijn kleindochter begon zacht te huilen.
Mijn dochter knielde naast haar.
“Het is goed. De politie is hier.”
Het meisje keek naar de agenten en daarna naar mij.
Toen fluisterde ze:
“Opa weet het.”
Mijn dochter keek op.
“Wat weet opa?”
Het meisje zei niets meer.
Ik hurkte voorzichtig voor haar neer.
“Wat bedoel je, meisje?”
Ze keek naar mij met haar vermoeide ogen.
“Die man.”
Mijn hart sloeg sneller.
“Welke man?”
“De man bij de deur.”
Mijn dochter verstijfde.
“Welke man bij de deur?”
Het meisje wees niet naar de voordeur.
Ze wees naar mij.
“Nee,” fluisterde ze. “Bij opa's huis.”
De kamer werd stil.
Ik voelde hoe mijn dochter naar mij keek.
“Papa…”
Ik kon niets zeggen.
Mijn kleindochter had nooit bij mij thuis geslapen. Ze was daar de afgelopen dagen niet geweest. Ze kon onmogelijk weten wie er bij mijn huis was geweest.
“Lieverd,” zei ik langzaam, “wanneer heb je die man gezien?”
Ze keek naar haar moeder.
Toen naar mij.
“Toen de mevrouw belde.”
Mijn dochter keek naar de agent.
“Welke mevrouw?”
Het meisje kneep haar ogen dicht.
“Die mevrouw met de tas.”
De agent schreef onmiddellijk iets op.
“Uw kleindochter zegt dus dat dezelfde vrouw eerder bij uw huis is geweest?”
Mijn dochter keek naar mij.
Ik schudde langzaam mijn hoofd.
“Dat kan niet.”
“Waarom niet?”
“Omdat ik niemand heb binnengelaten.”
De agent keek mij strak aan.
“Maar misschien was ze buiten.”
Ik dacht terug aan die avond.
Aan mijn keuken.
Aan het bericht dat ik om 22:40 uur had verstuurd.
Aan het vreemde gevoel dat ik die avond al een paar keer had gehad dat iemand mij in de gaten hield.
Ik had het afgedaan als vermoeidheid.
Nu niet meer.
Mijn dochter pakte mijn telefoon.
“Papa, laat me dat bericht zien.”
Ik gaf hem aan haar.
Ze las het bericht.
Toen keek ze naar de tijd.
22:37.
Haar blik veranderde.
“Wat heb je precies naar hem gestuurd?”
Ik keek naar het scherm.
“Alleen dat ik iets vreemds buiten had gezien.”
Mijn dochter keek op.
“Wat?”
Ik voelde mijn maag samentrekken.
“Ik had een auto voor mijn huis zien staan.”
De agent kwam dichterbij.
“Wat voor auto?”
“Ik weet het niet meer precies.”
Mijn dochter keek naar mij.
“Je hebt het me nooit verteld.”
“Ik dacht dat het niets betekende.”
De agent wees naar het bericht.
“U stuurde uw vriend om 22:37 uur dat u een auto buiten zag?”
“Ja.”
“En drie minuten later was u thuis?”
“Ja.”
Hij keek naar het kaartje met 22:40.
Toen naar het hotelsleutelhoesje.
En vervolgens naar mij.
“Dan moeten we misschien niet alleen onderzoeken wat er vanavond hier is gebeurd.”
Hij zweeg even.
“Misschien moeten we ook uitzoeken waarom iemand wist waar ú woonde.”