De agent had nog maar net gezegd dat mijn kleindochter misschien het doelwit was, of mijn dochter trok haar dichter tegen zich aan. Ik zag hoe haar hand beschermend over het hoofd van haar dochter gleed.
“Dat gaat niet gebeuren,” zei ze.
De agent keek haar rustig aan.
“Daarom moeten we eerst weten wat die mensen van haar willen.”
Mijn blik bleef op het hotelsleutelhoesje rusten. Tot dat moment had ik gedacht dat het een spoor was dat iemand per ongeluk had achtergelaten. Maar als het expres daar was neergelegd, veranderde alles.
“Misschien was het nooit bedoeld om verborgen te blijven,” zei ik.
Mijn dochter keek naar mij.
“Wat bedoel je?”
“Misschien wilden ze dat wij het zouden vinden.”
De agent kwam dichterbij.
“Waarom?”
“Dat weet ik niet.”
Hij wees naar het hoesje.
“Maar degene die het wilde terughalen, wist blijkbaar dat u het had.”
Mijn dochter pakte haar telefoon opnieuw.
“Dan is dat telefoontje geen toeval geweest.”
“Nee,” zei ik.
“En die envelop ook niet.”
Ik knikte.
De agent vroeg of er camerabeelden rond het huis beschikbaar waren. Mijn dochter wist dat er een camera boven de voordeur hing. Ze liep naar de monitor en opende de opnames van die avond.
De beelden verschenen op het scherm.
Eerst zag ik mezelf aankomen.
Daarna mijn dochter.
Toen verscheen er een donker voertuig aan het einde van de straat.
Mijn dochter stopte de opname.
“Daar.”
De auto reed langzaam voorbij.
Ze spoelde terug.
Nog een keer.
En nog een keer.
De agent vroeg haar het beeld stil te zetten.
Hij maakte een foto van het scherm.
“Kunnen we het kenteken vergroten?”
Mijn dochter zoomde in.
Het beeld werd korrelig.
Toch waren er enkele cijfers zichtbaar.
“Dat is genoeg om te proberen,” zei de agent.
Hij stuurde de informatie door.
Ik voelde me voor het eerst die avond iets rustiger. Niet omdat het gevaar voorbij was, maar omdat we eindelijk iets concreets hadden.
Toen keek mijn dochter naar de tijdlijn.
“Wacht.”
Ze wees naar een ander moment.
Ongeveer twintig minuten vóór ik bij haar huis was aangekomen, had iemand langs de voordeur gelopen.
Een vrouw.
Ze droeg een tas.
Mijn dochter keek naar mij.
“Dat is haar.”
Ik herkende haar niet duidelijk genoeg van achteren, maar de tas was dezelfde.
De vrouw stopte voor het huis.
Ze keek naar de camera.
Daarna naar de deur.
En vervolgens liep ze weg.
Mijn dochter zette het beeld stil.
“Waarom stond ze hier?”
Ik zei niets.
De agent vroeg:
“Hoe laat was dit?”
Mijn dochter keek naar de tijd.
“19:42.”
Ik voelde een koude rilling over mijn rug lopen.
“Dat was vlak voordat ik aankwam.”
De agent keek naar mij.
“Wist u dat zij hier was?”
“Nee.”
Mijn dochter keek opnieuw naar de beelden.
“Ze wist dus dat mijn vader zou komen.”
De agent zei niets.
Hij hoefde niets te zeggen.
Iedereen dacht hetzelfde.
Mijn kleindochter zat ondertussen stil op de bank. Plotseling keek ze naar het scherm.
“Die mevrouw.”
Mijn dochter draaide zich om.
“Ken je haar?”
Het meisje knikte.
“Ze kwam gisteren ook.”
Mijn dochter verstijfde.
“Gisteren?”
“Ja.”
“Hier?”
Het meisje knikte.
“Maar oom was er niet.”
Ik liep langzaam naar haar toe.
“Wat deed ze?”
Het meisje wees naar de woonkamer.
“Ze keek.”
“Naar wat?”
“Naar mijn tas.”
Mijn dochter keek naar het medicijntasje.
“Ze keek naar je medicijnen?”
Het meisje knikte.
Toen zei ze iets wat ons allemaal stil maakte.
“Ze zei dat ze moest wachten tot opa kwam.”
Mijn dochter keek onmiddellijk naar mij.
Ik voelde mijn adem stokken.
“Wat?”
“Ze zei dat opa het zou begrijpen.”
Ik had die vrouw nog nooit eerder gezien.
Daar was ik zeker van.
Maar iemand had blijkbaar tegen haar gezegd dat ik zou komen.
De agent vroeg:
“Heeft die vrouw uw naam genoemd?”
Mijn kleindochter schudde haar hoofd.
“Ze zei alleen opa.”
De agent keek naar mij.
“Wie wist dat u vanavond naar hier zou komen?”
Ik dacht na.
Mijn dochter.
Mijn vriend.
Niemand anders.
Toen herinnerde ik me mijn telefoongesprek van die middag.
Ik had mijn dochter kort gesproken.
Ik had gezegd dat ik die avond langs zou komen.
Mijn dochter zag mijn gezicht.
“Papa?”
“Ik heb je vanmiddag gebeld.”
“Ja.”
“Heb je daarna met iemand over mijn komst gesproken?”
Ze schudde haar hoofd.
“Nee.”
“Zeker?”
“Papa, ik heb niemand verteld dat je hierheen kwam.”
De agent vroeg:
“Wie wist dat u hierheen zou rijden?”
Ik antwoordde eerlijk.
“Niemand, voor zover ik weet.”
Hij keek naar zijn collega.
Toen kwam er een melding binnen op zijn telefoon.
Hij las hem.
Zijn gezicht veranderde.
“De auto is geregistreerd.”
Mijn dochter stond meteen op.
“Van wie?”
De agent keek naar mij.
“Hij staat niet op naam van uw zwager.”
Mijn dochter ademde opgelucht uit.
Maar de agent was nog niet klaar.
“De registratie leidt naar een bedrijf.”
“Welk bedrijf?” vroeg ik.
Hij keek opnieuw naar het scherm.
“Een beveiligingsbedrijf.”
Mijn dochter keek naar het hotelsleutelhoesje.
“Waarom zou een beveiligingsbedrijf ons volgen?”
De agent antwoordde niet.
Hij liep naar de tafel en keek naar het hoesje.
Toen pakte hij zijn telefoon.
“Ik heb zojuist een tweede bericht gekregen.”
“Van wie?”
Hij las het hardop.
“Breng het hoesje naar kamer 214. Kom alleen.”
Mijn dochter schudde onmiddellijk haar hoofd.
“Absoluut niet.”
Ik keek naar het kaartje met 22:40.
Daar stond nog steeds hetzelfde tijdstip.
Maar nu begreep ik iets anders.
Het nummer op het papiertje was geen kamernummer.
Het was een tijd.
De 22:40 was een afspraak.
En iemand had ons die avond stap voor stap naar een plaats proberen te sturen waar we helemaal niet van plan waren geweest naartoe te gaan.