De ambulance verdween met loeiende sirenes, terwijl het meisje op een stoel in de spoedeisende hulp bleef zitten. Haar voeten bungelden boven de vloer. Voor het eerst sinds haar aankomst leek ze moe te worden.
“Hoe heet je?” vroeg de receptioniste zacht.
“Lotte.”
“En hoe heten de baby’s?”
Lotte dacht even na.
“Mama noemde ze Finn en Mila.”
De receptioniste glimlachte voorzichtig en schreef de namen op een formulier.
Ondertussen probeerden hulpverleners, samen met de informatie die Lotte had gegeven, haar woning te vinden. Het was niet eenvoudig. Ze kende geen straatnamen, geen huisnummer en zelfs niet de naam van haar dorp. Maar ze beschreef opvallende details: een rode brievenbus, een grote eik naast de oprit en een houten schuur met een scheef dak.
Na bijna veertig minuten meldde een politie-eenheid dat ze een woning hadden gevonden die overeenkwam met de beschrijving.
Toen de ambulance arriveerde, vonden de hulpverleners inderdaad een jonge vrouw in de slaapkamer. Ze lag bewusteloos, maar leefde nog. Volgens de artsen was ze ernstig uitgedroogd en had ze dringend medische hulp nodig.
Binnen enkele minuten werd ze gestabiliseerd en naar hetzelfde ziekenhuis gebracht waar haar kinderen zich bevonden.
Terug op de spoedeisende hulp kreeg Lotte een beker warme chocolademelk. Ze hield hem met beide handen vast.
“Wanneer komt mama?” vroeg ze.
“Ze is onderweg,” antwoordde een verpleegkundige eerlijk. “En we gaan heel goed voor haar zorgen.”
Dat leek voldoende voor Lotte. Ze knikte en dronk voorzichtig een slok.
De tweeling werd ondertussen onderzocht door kinderartsen. Hoewel de baby’s verzwakt waren, waren ze op tijd aangekomen. De artsen waren het erover eens dat nog langer wachten ernstige gevolgen had kunnen hebben.
Een verpleegkundige keek naar haar collega.
“Dat kleine meisje heeft waarschijnlijk drie levens gered.”
Haar collega knikte zwijgend.
Later die avond werd de moeder opgenomen op een afdeling waar ze nauwlettend kon worden gevolgd.