Mijn man duwde me tijdens mijn negende zwangerschapsmaand van een ijzige klif omdat hij dacht dat mijn leven minder waard was dan de levensverzekering van vijftig miljoen euro. Daarna stond hij met zijn minnares op mijn uitvaart, glimlachend alsof hij had gewonnen. Hij wist niet dat ik de val had overleefd — en dat de man die mij vond zijn hele leven zou verwoesten.

Mijn telefoon was verdwenen.

Toen voelde ik iets onder mijn jas. Een klein, hard kastje dat tegen mijn ribben drukte. De persoonlijke noodbakenzender die Willem me maanden eerder had gegeven na een wandeltocht in Zwitserland.

“Draag hem altijd,” had hij gezegd. “Mensen verdwalen niet alleen in de bergen. Soms verdwalen ze thuis.”

Ik had er die ochtend om gelachen.

Nu drukte ik met trillende vingers op de knop.

Boven mij begon de sneeuw opnieuw te vallen.

Twee uur later hoorde ik een stem.

“Mevrouw! Kunt u mij horen?”

Ik wilde antwoorden, maar mijn keel werkte niet meer. Ik zag alleen een donkere gestalte tussen de sneeuwvlokken. Een man daalde langzaam langs de rotswand af, gezekerd aan een touw.

“Blijf wakker,” riep hij. “Kijk naar mij.”

Het was Willem Vermeer.

Hij had mijn noodsignaal ontvangen via het netwerk van de reddingsdienst. Hij was in Noorwegen voor een vergadering over een energieproject en kende de route omdat hij vroeger vrijwilliger was bij een bergreddingsteam.

Toen hij mij bereikte, legde hij zijn hand tegen mijn wang.

“Waar is uw man?”

Ik probeerde te spreken.

“Hij… duwde…”

Willem keek naar mijn buik. Daarna naar mijn been.

“U houdt het nog even vol,” zei hij. “U en uw kind.”

“Hij denkt dat ik dood ben.”

“Dan laten we hem dat voorlopig geloven.”

Ik werd met een helikopter naar het ziekenhuis van Ålesund gebracht. De artsen voerden onmiddellijk een keizersnede uit. Mijn bekken was op drie plaatsen gebroken, mijn schouder uit de kom en mijn linkerlong gedeeltelijk ingeklapt.

Onze dochter werd geboren met een gewicht van twee kilo en achthonderd gram.

Ze heette Lena.

Toen ik haar voor het eerst zag, lag ze in een couveuse met een dun slangetje onder haar neus. Haar vuistje lag tegen haar wang. Ik kon haar niet aanraken zonder dat mijn arm begon te trillen, maar ik bleef naar haar kijken tot mijn ogen droog aanvoelden.

Willem zat die avond naast mijn bed.

“Maarten heeft de Noorse politie verteld dat u alleen bent uitgegleden,” zei hij.

Ik draaide mijn hoofd naar hem toe.

“Hij weet dat ik leef?”

“Nee. De reddingsdienst heeft uw identiteit nog niet openbaar gemaakt. Uw paspoort zat niet bij u. Uw telefoon is niet gevonden.”

“Hij gaat de verzekering claimen.”

“Dat probeert hij al.”

Willem legde een map op mijn nachtkastje. Op de eerste pagina stond een artikel uit een Nederlandse krant.

Ondernemer Elise van Dijk vermoedelijk overleden tijdens wandeltocht in Noorwegen.

Daaronder stond een foto van Maarten. Zijn gezicht was bleek, zijn ogen rood. De journalist schreef dat hij “kapot was van verdriet”.

Ik kende die blik.

Ik had hem jarenlang gezien wanneer hij een zakelijke fout probeerde te verbergen.

Een week later keek ik naar de livestream van mijn eigen uitvaartdienst.

Het was geen officiële begrafenis, want mijn lichaam was niet gevonden. Maarten had er een herdenkingsdienst van gemaakt in een kerk aan de Oudegracht. Op de eerste rij zat mijn moeder. Naast haar stond Maarten.

Aan zijn zijde zat Sanne Koster, zijn persoonlijke assistente en zijn minnares.

Ik had haar één keer ontmoet tijdens een bedrijfsdiner. Ze droeg toen een donkerblauwe jurk en lachte om alles wat Maarten zei. Op het scherm hield ze zijn hand vast.

Maarten keek naar de lege kist alsof hij een rol speelde waarvoor hij weken had geoefend.

Toen de camera op hem gericht werd, legde hij zijn hand op zijn hart.

Sanne glimlachte.

Niet warm. Niet verdrietig.

Het was een dunne, gespannen glimlach, alsof iemand haar had bevolen niet te stoppen.

“Ze doen alsof ze gewonnen hebben,” fluisterde ik.

Willem zette het geluid zachter.

“Maarten denkt dat hij gewonnen heeft.”

“En Sanne?”

“Daar kom ik nog achter.”

Diezelfde avond kreeg ik een bericht op het beveiligde account dat ik vóór mijn reis had aangemaakt.

Ik wist niet dat hij u wilde doden. Ik wist alleen dat hij geld stal. Ik heb kopieën. Als u leeft, antwoord dan niet via dit account.

Onder het bericht stond een foto van een schrift.

Op de bladzijde stonden bedragen, data en initialen. Sommige overschrijvingen kwamen overeen met de documenten die ik in Maartens kantoor had gevonden.

Sanne wist ervan.

Ik wilde haar haten omdat ze naast hem had gestaan. Omdat ze zijn hand had vastgehouden bij mijn lege kist. Maar haat maakt je soms slordig, en ik had lang genoeg slordig geleefd.

Willem liet haar via een advocaat contacteren.

Drie dagen later kwam hij terug met haar verklaring.

Sanne had sinds juni een verhouding met Maarten. Hij had haar beloofd dat hij van mij zou scheiden zodra de overname van het bedrijf rond was. Ze geloofde hem totdat ze ontdekte dat hij haar handtekening had vervalst op twee facturen.

Toen ze hem ermee confronteerde, zei hij dat zij de schuld zou krijgen als de fraude uitkwam.

“Hij zei dat niemand een overspelige vrouw zou geloven,” had Sanne verklaard. “Daarna vertelde hij dat Elise waarschijnlijk niet lang meer zou leven.”

“Wanneer hoorde ze dat?” vroeg ik.