MIJN MAN KWAM ZONGEBRUIND THUIS MET ZIJN SECRETARESSE

DEEL 9 — MARGriET KWAM NAAR HET GRAF

Op Sophies eerste verjaardag na haar dood ging ik vroeg naar begraafplaats.

Vier jaar zou ze zijn geworden.

Ik bracht zonnebloemen.

Niet omdat ze haar favoriete waren.

Ze had op driejarige leeftijd geen uitgesproken bloemvoorkeur.

Ze hield van geel.

Dat was genoeg.

Toen ik pad opliep zag ik iemand bij graf.

Margriet.

Mijn eerste impuls was om weg te gaan.

Toen werd ik boos dat zelfs begraafplaats mij ruimte afnam.

Ik liep door.

Ze draaide zich om.

Haar gezicht was ouder geworden.

‘Merel.’

Ik zei niets.

‘Ik ga.’

‘Wacht.’

Dat woord kwam verrassend uit mijn mond.

Ze stopte.

‘Waarom ben je hier?’

‘Omdat ze mijn kleindochter was.’

‘Dat klonk een jaar geleden anders.’

Ze begon te huilen.

‘Ik weet.’

‘Waarom stuurde je mij dat bericht?’

‘Omdat ik niet wilde geloven dat het ernstig was.’

‘Je wist dat ze op intensive care lag.’

‘Ja.’

‘En je zei tegen Alexander dat hij morgen kon bellen.’

Margriet sloot ogen.

‘Ja.’

Ik voelde mijn hele lichaam trillen.

‘Waarom?’

‘Omdat hij eindelijk gelukkig leek.’

Ik kon haar bijna slaan.

‘Gelukkig?’

‘Hij had maanden geklaagd dat thuis alles om Sophie draaide.’

‘Ze was drie.’

‘Ik weet.’

‘Hij was haar vader.’

‘Ik weet.’

‘En jij dacht dat een vakantie met zijn minnares beschermd moest worden tegen zijn zieke kind.’

Margriet zakte bijna in elkaar.

‘Als je het zo zegt…’

‘Hoe moet ik het anders zeggen?’

Geen antwoord.

‘Ik heb mijn zoon zijn hele leven geleerd dat zijn rust belangrijker was dan ongemak van anderen.’

Daar was eerste verantwoordelijkheid.

‘Wanneer zijn vader boos werd, haalde ik Alexander weg. Als school belde, loste ik het op. Als hij schuld had, vond ik uitleg.’

Ze keek naar graf.

‘Ik dacht dat ik hem beschermde.’

‘Je maakte hem onverdraaglijk voor consequenties.’

‘Ja.’

Stilte.

‘Verwacht je vergeving?’

‘Nee.’

‘Goed.’

Ze knikte.

‘Mag ik bloemen laten?’

Ik keek naar haar boeket.

Witte rozen.

Sophies minst interessante bloem, zou ik bijna willen zeggen.

‘Ja.’

‘Dank.’

‘Dat is geen vergeving.’

‘Weet ik.’

Ze legde bloemen.

Ging.

Ik bleef.

Voor het eerst voelde Margriets aanwezigheid niet als aanval.

Alleen als bewijs dat ook zij iets verloren had.

Niet evenveel.

Rouw is geen wedstrijd.

Maar echt.