‘Die onderzoeken we.’
Ik knikte.
‘Doe dat.’
De raad nam diezelfde week voorlopige maatregelen.
Alexanders corporate creditcards werden geblokkeerd.
Zijn zelfstandige betaalbevoegdheid boven een beperkte drempel werd opgeschort.
De CFO kreeg medeondertekening.
De auditcommissie werd geactiveerd.
Niet omdat ik verdrietig was.
Omdat er concrete governance-risico’s lagen.
Privé trok ik mijn volmacht in op twee beleggingsrekeningen waar Alexander uit praktische redenen toegang toe had.
Ik liet de gezamenlijke huishoudrekening beperken zodat grote overboekingen dubbele bevestiging vereisten.
Mijn testament werd opnieuw bevestigd.
Geen woedeclausules.
Geen theatrale uitsluiting.
Gewoon duidelijkheid.
Daarna pakte ik één koffer.
Niet voor hem.
Voor mij.
Ik wist nog niet waar ik heen ging.
Ik wist alleen dat ik niet in dat huis kon blijven zodra Sophie er niet meer was.
Toen ging de voordeur open.
Alexander stapte binnen.
Babette aan zijn arm.
Hij keek me aan.
‘Je had niet verteld dat ze thuis zou zijn,’ zei Babette zacht.
Alexander drukte een kus tegen haar slaap.
Alsof ik een personeelslid was.
‘Doe rustig,’ zei hij tegen mij. ‘Het was gewoon een zakenreis.’
Hij liet zijn koffer los.
Keek de hal rond.
Toen pas vroeg hij:
‘Waar is Sophie?’
Ik staarde hem aan.
Tot zijn zelfvoldane glimlach begon af te brokkelen.
‘Ze is dinsdag overleden.’
Babette trok haar arm weg.
Alexander knipperde.
‘Wat?’
‘Sophie is dood.’
‘Nee.’
‘Ik heb je zevenentachtig keer gebeld.’
‘Nee.’
‘Ik heb berichten gestuurd.’
‘Nee.’
Dat woord bleef hij herhalen.
Alsof werkelijkheid ongeldig werd wanneer hij hem vaak genoeg weigerde.
‘Ze is donderdag begraven.’
Zijn gezicht werd wit.
‘Waarom heeft niemand mij—’
Ik begon te lachen.
Niet omdat iets grappig was.
‘Je telefoon stond uit.’
‘Ik had meetings.’
‘In Bali.’
Babette sloeg een hand voor haar mond.
Alexander keek naar haar.
Daarna mij.
‘Merel—’
‘Mijn naam is niet het probleem.’
Hij zette een stap.
‘Waar is ze begraven?’
Ik wees naar tafel.
Daar lag een foto van Sophies graf.
Zijn knieën zakten bijna weg.
Voor één seconde dacht ik dat verdriet hem misschien eerlijk zou maken.
Toen keek hij naar mijn koffer.
Zijn gezicht verhardde.
‘Wat betekent dit?’
‘Ik vertrek.’
‘Nee.’
‘Dat beslis jij niet.’
‘Dit is mijn huis.’
Ik liep naar hem toe.
Mijn stem was nauwelijks harder dan fluisteren.
‘Geniet er dan maar van zolang het nog kan.’
Hij keek me verbijsterd aan.
‘Wat bedoel je?’
‘Dit huis is niet van jou, Alexander.’
Stilte.
Babette keek van hem naar mij.
‘En voordat je gaat bellen met je corporate card,’ vervolgde ik, ‘die werkt ook niet meer.’
Zijn gezicht veranderde.
‘Wat heb je gedaan?’
‘Niets wat niet allang had moeten gebeuren.’
Ik pakte mijn koffer.
Liep naar deur.
Toen zei hij achter mij:
‘Merel, als jij denkt dat je me uit mijn eigen bedrijf kunt gooien omdat je verdrietig bent—’
Ik draaide me om.
‘Ik heb je nergens uitgegooid.’
‘Wat dan?’
‘De raad onderzoekt je.’
Hij stopte.
‘Welke raad?’
‘De raad die volgens jou alleen maar voor de sier bestond.’
Nu zag ik echte angst.
En voor het eerst sinds Sophie ziek werd, wist Alexander niet meer welk verhaal hij moest vertellen.