DEEL 7 — Henriëttes lunch
Henriëtte de Vries nodigde mij uit voor lunch.
Vier dagen na de arrestatie.
Geen excuses.
Geen condoleance voor mijn huwelijk.
Geen erkenning dat haar zoon met handboeien was afgevoerd.
Alleen een bericht:
Marit, wij moeten als vrouwen verstandig spreken voordat mannen deze situatie juridisch verzieken. Woensdag, twaalf uur, De Nederlanden. Henriëtte.
Als vrouwen.
Dat schreef zij.
De vrouw die mij huisvrouw zonder ambitie noemde.
Ik stuurde haar bericht door naar mijn advocaat, meester Evelien Koster.
Evelien antwoordde:
Ga alleen als u wilt. Neem mij mee. Neem op. Eet niet te zwaar.
Dus ging ik.
Henriëtte zat al aan tafel. Parelketting. Crème blouse. Haar gezicht iets bleker dan normaal, maar nog steeds keurig opgebouwd uit poeder en superioriteit.
Toen zij Evelien zag, verstijfde ze.
“Ik dacht dat wij privé zouden spreken.”
“Dat dacht u verkeerd,” zei ik.
Evelien ging zitten en legde haar notitieboek open.
Henriëtte glimlachte strak.
“Altijd met soldaten binnenkomen, Marit. Dat is zo jammer. Je was vroeger zachter.”
“Vroeger loog uw zoon nog beter.”
Een ober verscheen. Henriëtte bestelde mineraalwater. Ik koffie. Evelien niets.
“Daan heeft fouten gemaakt,” begon Henriëtte.
“Fraude heet dat.”
“Fouten,” herhaalde zij. “Onder druk. Dit bedrijf was zijn leven.”
“Daarom stal hij er geld uit?”
“Hij probeerde het te redden.”
“Via de Kaaimaneilanden?”
Haar glimlach brak heel even.
“Je begrijpt het bedrijfsleven niet.”
Evelien keek op.
“Mijn cliënt bezit het bedrijf.”
Henriëtte negeerde haar.
“Marit, luister naar mij. Je kunt Daan niet zomaar vernietigen zonder jezelf mee te trekken. Jullie zijn getrouwd. Jouw naam staat naast de zijne. Journalisten zullen vragen stellen. Mensen zullen willen weten hoe een echtgenote niets kon merken.”
“Laat ze vragen.”
“Ze zullen je dom noemen.”
“Dat deed u al.”
“Ze zullen denken dat je medeplichtig was.”
“Daarom werk ik volledig mee met de FIOD.”
Henriëtte boog iets naar voren.
“En als ik zeg dat ik documenten heb waaruit blijkt dat jij wist van bepaalde betalingen?”
Daar was ze.
Niet moeder.
Niet vrouw-tot-vrouw.
Afperser.
Evelien legde haar pen neer.
“Mevrouw De Vries, wilt u die zin herhalen voor de duidelijkheid?”
Henriëtte keek naar haar.
“U weet precies wat ik bedoel.”
“Ja,” zei Evelien. “Maar dreigementen doen het beter in een proces-verbaal wanneer ze volledig zijn.”
Ik keek Henriëtte aan.
“Welke documenten?”
Ze zweeg.
Ik begreep het toen.
Bluf.
Of erger: vervalsing in voorbereiding.
“U bent bang,” zei ik.
Haar ogen flitsten.
“Voor jou?”
“Nee. Voor het feit dat Daan u niet kan redden. Sophie vlucht. De FIOD graaft. En u heeft uw naam aan Project Phoenix gehangen.”
Daar verdween de laatste kleur uit haar gezicht.
Ze stond op.
“Je zult spijt krijgen van je hoogmoed.”
Ik nam een slok koffie.
“U bestelde water. Zonde om onaangeroerd te laten.”
Ze liep weg.
Evelien keek haar na.
“Ze weet meer dan ze zegt.”
“Ja.”
“En ze is gewend dat mensen schrikken.”
Ik zette mijn kopje neer.
“Dan wordt dit een leerzame periode voor haar.”
DEEL 8 — Nina's verklaring
Nina meldde zich op dag zes.
Niet bij mij.
Bij het externe meldpunt.
Dat was goed. Het systeem moest werken zonder dat iedereen langs mijn bureau hoefde om moed te bewijzen.
Toch vroeg zij later of zij mij persoonlijk mocht spreken.
We zaten in een kleine vergaderkamer. Glazen wand, grijze vloer, twee bekers thee. Nina was vierentwintig en droeg een vest dat te groot voor haar was. Haar handen bewogen steeds naar haar mouwen.
“Ik heb dingen gedaan,” zei ze.
“Vertel.”
“Ik heb facturen goedgekeurd.”
“Onder druk?”
Ze keek naar haar thee.
“Ja. Maar ik heb wel geklikt.”
Die eerlijkheid raakte mij.
Slechte mensen zeggen vaak dat ze geen keuze hadden.
Goede mensen blijven soms hangen bij de vinger waarmee ze klikten.
“Wat gebeurde er?”
“Daan kwam bij mijn bureau. Hij wist dat mijn contract nog tijdelijk was. Hij zei dat ik moest leren hoe bestuurlijke werkelijkheid werkt. Dat leveranciers soms vertrouwelijk zijn. Dat ik niet zo schools moest denken.”
“En Sophie?”
Nina slikte.
“Zij was erger.”
“Hoe?”
“Daan werd boos. Sophie werd vriendelijk.”
Dat was preciezer dan zij besefte.
“Ze nam me mee koffie drinken. Ze zei dat ze ook ooit jong was, dat slimme vrouwen niet overal strijd van maken. Dat loyaliteit beloond wordt. Daarna stuurde ze mij een link naar een appartement waar ik misschien na mijn contractverlenging kon gaan wonen.”
“Een beloning.”
“Of een haak.”
“Heb je iets bewaard?”
Nina knikte.
Ze haalde een USB-stick uit haar tas.
“E-mails. Berichten. Screenshots. Ook een opname.”
“Van wie?”
“Daan en Sophie. Ze wisten niet dat ik nog in de printerruimte stond.”
We speelden de opname niet daar af. Niet zonder recherche. Maar Nina vertelde wat erop stond.
Daan:
Van Houten wordt lastig.
Sophie:
Dan moet Henriëtte hem bellen. Hij heeft respect voor oude ondernemersnamen.
Daan:
En Marit?
Sophie lachte.
Marit is handig. Zolang iedereen denkt dat jij haar onderhoudt, kijkt niemand naar haar geld.
Mijn maag draaide zich om.
Daar was hun kern.
Zij hadden mijn onderschatting niet alleen geloofd.
Ze hadden hem gebruikt als camouflage.
Als iedereen dacht dat ik afhankelijk was, zou niemand vragen of ik kapitaal had om AmsTech te kopen.
Hun minachting was mijn schuilplaats geweest.
Ik keek naar Nina.
“Waarom kom je nu?”
Ze begon te huilen.
“Omdat u zei dat niemand ontslagen wordt omdat hij eerlijk vertelt wat hij weet.”
“Dat meende ik.”
“Ik ben bang.”
“Ik ook.”
Ze keek verbaasd op.
Ik glimlachte flauw.
“Bang zijn betekent niet dat je verkeerd zit. Soms betekent het dat je eindelijk de juiste deur opent.”
Nina tekende later een volledige verklaring.
Niet perfect.
Niet zonder eigen verantwoordelijkheid.
Maar eerlijk.
En in de weken daarna bleek zij de eerste steen uit een muur.
Na haar kwamen er twaalf anderen.
Finance.
IT.
Procurement.
Legal.
Sommigen met bewijs.
Sommigen met schuld.
Allemaal met verhalen over Daan die angst gebruikte als managementstijl en Sophie die ambitie gebruikte als snoer om mensen vast te binden.