DEEL 5 — De eerste nacht als eigenaar
Ik sliep die nacht niet.
Niet in het Amstel Hotel.
Niet thuis.
Niet waar Daan had gewoond.
Ik ging naar het hoofdkantoor van AmsTech in Hoofddorp.
Om 02:17 liep ik met Van Houten door de draaideur naar binnen. De receptioniste was er niet, maar de beveiliging had mijn naam al in het systeem gezet.
“Mevrouw De Vries,” zei de bewaker.
“Marit,” antwoordde ik.
Hij keek even verrast.
“Marit.”
Dat was beter.
De gangen waren stil. Het soort kantoorstilte waarin printers zwijgen, koffiemachines afkoelen en alle leugens eindelijk zonder stemmen achterblijven.
Van Houten leidde mij naar de bestuursverdieping.
Daans kantoor zat op de hoek.
Natuurlijk.
Grootste raam.
Beste uitzicht.
Leren bank.
Whiskykar.
Aan de muur hing een zwart-witfoto van AmsTechs eerste fabriekshal. Daaronder een plaquette:
VISIE VRAAGT MOED.
Ik moest bijna lachen.
Soms vraagt visie ook gewoon dat je geen valse facturen tekent.
Van Houten bleef in de deuropening staan.
“Wilt u alleen zijn?”
“Nee. Ik wil dat dit officieel gebeurt.”
We filmden hoe ik Daans kantoor binnenliep, hoe ik zijn laptop liet verzegelen, hoe de IT-directeur alle accounts blokkeerde, hoe de privéspullen werden geïnventariseerd.
Niet omdat ik wraakzuchtig was.
Omdat Daan later zou zeggen dat ik documenten had geplant.
Dat wist ik al.
Mannen als Daan bereiden hun eigen onschuld voor door anderen te beschuldigen voordat de waarheid kan gaan zitten.
In zijn bovenste lade lag een foto van hem en Sophie op een boot.
Niet eens verstopt.
Achter de foto lag een sleutelkaart.
Van een appartementencomplex in Amsterdam-Zuid.
Van Houten keek ernaar.
“Dat is niet van AmsTech.”
“Nee,” zei ik. “Dat denk ik ook niet.”
Ik stopte hem niet in mijn tas.
Ik liet hem in een bewijszak doen.
Om 03:40 kwam rechercheur Van Kessel naar het kantoor om een eerste digitale veiligstelling te doen. Hij keek naar de sleutelkaart en trok één wenkbrauw op.
“Interessant.”
“Appartement van Sophie?”
“Misschien. Of van Daan. Of van het geld.”
Het bleek later alle drie.
Om 05:10 zat ik in de kantine met slechte koffie en een koude croissant uit een automaat.
Van Houten zat tegenover me.
“Mag ik iets vragen?”
“Ja.”
“Waarom heeft u hem zo lang laten denken dat hij won?”
Ik keek naar mijn koffiebeker.
“Omdat hij harder ging liegen zodra hij dacht dat niemand hem kon stoppen.”
“En persoonlijk?”
Ik dacht aan Daan die mij decoratief noemde.
Aan Sophie die me schat noemde.
Aan Henriëtte die me huisvrouw zonder ambitie noemde.
“Persoonlijk,” zei ik, “omdat ik te lang hoopte dat bewijs verzamelen minder pijn zou doen dan hem confronteren.”
“Deed het dat?”
“Nee.”
Hij knikte.
“Maar het werkte.”
Ik keek naar de lege kantine.
Naar de stoelen.
Naar het bedrijf dat bijna leeggezogen was.
“Dan moet het vanaf nu ook ergens goed voor zijn.”
DEEL 6 — Het appartement van Sophie
Het appartement in Amsterdam-Zuid lag op de elfde verdieping van een nieuwbouwtoren met glas, beton en uitzicht op mensen die dachten dat uitzicht karakter was.
De sleutelkaart uit Daans kantoor paste.
Niet op de hoofdingang.
Maar op de lift.
Het appartement stond formeel op naam van Blue Harbour Procurement.
Een van de spookleveranciers.
Sophie had er volgens de huismeester “soms” verbleven.
Daan “ook wel eens”.
Samen “vaak”.
Rechercheur Van Kessel en zijn team doorzochten het appartement twee dagen na het bedrijfsfeest. Ik was daar niet bij, maar kreeg later via mijn advocaat te horen wat er was gevonden.
Designmeubels.
Kleding van Sophie.
Een horloge van Daan.
Een kluis met contanten.
En, belangrijker, een map met handgeschreven notities van Sophie.
Niet financieel diepgaand.
Maar sociaal vernietigend.
Sophie hield bij wie binnen AmsTech beïnvloedbaar was.
Nina — onzeker, baan nodig, makkelijk via Daan.
Karel IT — loyaal aan salaris, niet aan ethiek.
Van Houten — risico, te veel principes.
Marit — ziet minder dan ze denkt. Niet relevant tenzij scheiding.
Ik las die laatste zin in het dossier en bleef er lang naar kijken.
Niet relevant tenzij scheiding.
Voor Sophie was ik geen mens.
Ik was een variabele.
Iets wat pas meetelde als ik juridisch hinderlijk werd.
In hetzelfde appartement vonden ze ook een conceptpresentatie:
Project Phoenix — herstructurering na kapitaalinjectie.
Daarin stond het plan.
Daan zou zogenaamd een buitenlandse investeerder binnenhalen.
AmsTech zou daarvoor een saneringsronde aankondigen.
Slechte resultaten zouden worden toegeschreven aan marktomstandigheden, verouderde contracten en “besluiteloosheid van het oude management”.
Vervolgens zou een deel van de gezonde activiteiten worden verkocht aan een nieuwe entiteit.
Bestuur: Daan de Vries.
Corporate relations: Sophie van Dam.
Adviseur: Henriëtte de Vries.
Ik las haar naam drie keer.
Daans moeder was dus niet alleen moeder.
Zij zat in het plan.
Niet als boekhouder.
Niet als fraudeur met facturen.
Maar als reputatiekapitaal.
Henriëtte was voormalig voorzitter van een ondernemersvereniging, vrouw van diners, lintjes, commissies, liefdadigheidsgala’s. Zij wist hoe je een ingestort bedrijf toch kon laten klinken als een noodzakelijke vernieuwing.
Zij had mij die avond niet toevallig weggeduwd.
Zij wist dat er een aankondiging kwam.
Alleen niet welke.
Haar versie had anders moeten zijn.
Daan op het podium.
Sophie aan zijn zijde.
Ik thuis.
AmsTech gesaneerd.
Fraude begraven onder reorganisatie.
Achthonderd medewerkers gereduceerd tot cijfers in een presentatie.
Mijn overname had niet alleen Daan vernederd.
Ik had hun hele volgende misdaad onderbroken.