MIJN SCHOONDOCHTER GOOIDE IJSWATER IN MIJN GEZICHT EN JOEG ME UIT MIJN EIGEN SLAAPKAMER

DEEL 1 — HET GLAS IJSWATER

Om negen uur ’s ochtends gooide mijn schoondochter een glas ijskoud water recht in mijn gezicht.

‘Kom uit dat bed!’

Het water sloeg tegen mijn ogen, liep langs mijn nek mijn T-shirt in en doorweekte het hoofdkussen onder mijn hoofd.

Een paar halfgesmolten ijsklontjes rolden over het dekbed en vielen op de houten vloer.

‘Het is negen uur!’ krijste Valerie. ‘Mijn klanten kunnen elk moment voor de deur staan en dit hele huis ruikt naar een slachthuis.’

Ik deed langzaam mijn ogen open.

Mijn naam is Arend van der Veen.

Ik was achtenzestig jaar oud en nog geen kwartier daarvoor had ik eindelijk mijn werkkleding uitgetrokken na een zware nachtdienst bij Van der Veen Vleesgroothandel, het bedrijf dat ik bijna dertig jaar eerder samen met mijn overleden vrouw Emma had opgebouwd.

Die nacht was een koelinstallatie uitgevallen.

Twee chauffeurs hadden zich ziekgemeld.

Een levering voor drie Amsterdamse restaurants dreigde te laat te komen.

Dus had ik vanaf één uur ’s nachts in de vriesloods gestaan.

Om iets over achten was ik thuisgekomen.

Om kwart voor negen lag ik in bed.

Om negen uur kreeg ik ijswater in mijn gezicht.

Mijn zoon Julian stond achter Valerie in de deuropening.

Achtendertig jaar.

Mijn enige kind.

Een gezonde volwassen man van bijna een meter negentig die op dat moment ineens de vloer buitengewoon interessant vond.

‘Zeg er wat van, Julian,’ bracht ik uit.

Hij keek niet op.

Valerie zette het lege glas hard op mijn nachtkastje.

‘En dweil dit even. Je hebt alles drijfnat gemaakt.’

Ik keek naar haar.

Toen naar mijn zoon.

‘Ík heb het drijfnat gemaakt?’

Julian opende eindelijk zijn mond.

‘Pap, laten we hier nou geen toestand van maken.’

Daar was de zin die hij de afgelopen drie jaar steeds vaker gebruikte.

Geen toestand.

Als Valerie mijn auto zonder te vragen meenam:

geen toestand.

Als ze mijn werkkamer gebruikte voor opslag van haar salon:

geen toestand.

Als ze mijn creditcard ‘per ongeluk’ gebruikte voor een bestelling:

geen toestand.

Blijkbaar was vernedering alleen een probleem als ik erop reageerde.

Ik zei niets meer.

Ik stond op.

Mijn knieën kraakten.

Mijn rug brandde van de nacht.

Ik pakte de dweil uit de badkamer en droogde de vloer van mijn eigen slaapkamer.

Achter mij telefoneerde Valerie inmiddels luid over haar beautysalon.

‘Ja, schat, alles staat klaar. VIP-ochtend. Champagne om half elf.’

Mijn huis.

Mijn champagne.

Mijn koffie.

Mijn elektriciteit.

De hypotheek was al vijftien jaar afgelost, maar de belastingen, het onderhoud, de energie en vrijwel alle vaste lasten betaalde ik nog altijd zelf.

Dit huis in Amsterdam Oud-Zuid hadden Emma en ik gekocht toen de vleesgroothandel eindelijk begon te lopen.

Niet omdat we luxe mensen waren.

Integendeel.

De eerste drie jaar hadden we boven de loods gewoond.

Emma deed de administratie aan een tafel naast onze koelkast.

Ik reed zelf om vier uur ’s ochtends bestellingen uit.

Toen we eindelijk genoeg geld hadden voor dit huis, koos Emma het kleinste kamertje als werkkamer omdat het ochtendlicht daar zo mooi binnenviel.

‘Grote kamers zijn overschat,’ zei ze.

Acht jaar geleden stierf ze in onze slaapkamer.

Alvleesklierkanker.

Elf maanden tussen diagnose en begrafenis.

Op mijn nachtkastje stond nog steeds het zilveren kruisje dat ze van haar moeder had gekregen.

Naast de lamp een trouwfoto.

Emma lachend.

Ik met veel te veel haar.

Dat was de kamer waarin Valerie die ochtend haar VIP-klanten wilde ontvangen.

Om tien uur kwamen de eerste vrouwen.

Ik zette koffie.

At staand een broodje kaas.

Vertrok weer naar de loods.

Toen ik die avond thuiskwam, paste mijn sleutel niet meer in de deur van mijn slaapkamer.

Ik probeerde twee keer.

Daarna nog eens.

Valerie stond achter mij in de gang.

Ze vijlde haar nagels.

‘Je hoeft niet zo aan dat slot te rukken.’

Ik draaide me om.

‘Waarom past mijn sleutel niet?’

‘Omdat ik het slot heb laten vervangen.’

Mijn lichaam werd koud.

‘Waarom?’

‘Ik gebruik de kamer tijdelijk voor privéconsulten. Het licht is daar perfect.’

‘Dat is mijn slaapkamer.’

‘Arend, je bent hier bijna nooit.’

‘Dat maakt hem niet minder van mij.’

Ze rolde met haar ogen.

‘Doe nou niet alsof ik je dakloos maak. Je kunt prima op de bank slapen.’

‘Waar zijn mijn spullen?’

‘Een deel in garage.’

‘Wat?’

‘Je had daar veel oude troep staan.’

Ik keek naar Julian, die net binnenkwam.

‘Heb jij dit geweten?’

Hij stopte.

Daar kwam die blik.

De blik van een man die al wist dat hij verkeerd had gekozen maar hoopte dat niemand hem zou dwingen het hardop te zeggen.

‘Pap… het is tijdelijk.’

‘Heeft zij mijn slaapkamer leeggehaald?’

‘Alleen de dingen die ze niet nodig had.’

‘Mijn spullen.’

‘Ja.’

‘En jij hebt het toegestaan.’

‘Valerie probeert haar zaak uit te bouwen.’

‘Dus?’

‘Het is maar een kamer.’

Het is maar een kamer.

De kamer waar zijn moeder gestorven was.