Mijn vader gaf mij weg aan een dove boer voor vijftig gulden schuld. Tijdens de kerkdienst fluisterde iemand: “Vijftig gulden is nog ruim betaald voor haar.” Drie weken later zakte Elias bij de kachel in elkaar met beide handen tegen zijn oor. Onder het bloed bewoog iets zwarts. Ik trok er met een verhit pincet eerst een parasiet uit en daarna een groen uitgeslagen stukje koper met twee letters: B.W. Elias was niet doof geboren.
Voor onze bruiloft had ik Elias de Vries twee keer gezien.
De eerste keer was in de winkel van Van Dijk in Hoogeveen. Hij kocht zout, bruine bonen, petroleum en meel. Uit zijn jas haalde hij een schrift, schreef korte woorden en draaide het papier naar de winkelier.
`Zout. Twee pond.`
`Petroleum.`
“Zie je wel?” lachte iemand. “Je kunt naast hem een kanon afschieten.”
Buiten stond zijn paard apart van de andere. Elias legde een hand op zijn hals en het dier duwde zijn snuit tegen zijn schouder.
Dat onthield ik.
De tweede keer kwam hij bij ons thuis. Mijn vader deed lang niet open. Elias stond met sneeuw op zijn jas en hetzelfde schrift in zijn hand.
“Je begrijpt waar dit over gaat?” vroeg mijn vader veel te hard.
Elias keek naar zijn mond en schreef:
`Ja.`
Toen hij weg was zag ik de schuldbrief op tafel. Vijftig gulden. Zwarte stempel van B.W. Land- en Kredietbank.
“Heb je mij verloren?”
Mijn vader sloeg met zijn vuist op tafel.
“Zeg dat niet.”
In herberg De Zwaan hadden mannen gewed dat Elias geen vrouw kon krijgen. Bankier Willem Brouwer had beloofd vaders schuld te schrappen als Elias mij trouwde.
Mijn trouwjurk was van mijn moeder. De kerk zat voller dan bij de meeste begrafenissen. Brouwer was er, dokter Meijer, de veldwachter en de mannen uit De Zwaan.
Niemand had bloemen meegebracht.
Toen ik naar voren liep hoorde ik:
“Vijftig gulden. De dove heeft nog te veel betaald.”
Toen Elias mij moest kussen, raakten zijn lippen alleen mijn wang.
Achter ons grinnikte iemand.
De rit naar zijn boerderij duurde uren door de sneeuw. Eén keer gleed de wagen en greep Elias mijn arm zodat ik niet tegen de rand sloeg.
Ik trok me los.
Meteen liet hij mij gaan en schreef:
`Glad. Sorry.`
Zijn boerderij lag alleen tussen akkers en heide. Ik had modder en drankflessen verwacht.
Binnen was het schoon. De kachel brandde. Brood lag onder een doek.
Elias zette mijn tas bij een kleine slaapkamer.
`Deze kamer is voor u. Ik slaap bij de kachel.`
Ik schreef:
`Waarom?`
`U bent bang.`
`U hebt mij gekocht.`
Hij hield het potlood lang stil.
`Ik heb niet gelachen.`
Die nacht sliep ik in mijn trouwjurk, met een schaar onder mijn kussen en een stoel tegen de deur.
Ik wachtte op zijn stappen.
Ze kwamen niet.
‘s Ochtends stond er warm water voor mijn deur.
Een week later zei ik langzaam:
“Ik heb niet gevraagd uw vrouw te worden.”
Hij schreef:
`Ik heb ook niet om die weddenschap gevraagd.`
De eerste aanval zag ik toen hij hout hakte. Hij liet de bijl vallen en drukte zijn hand tegen zijn rechteroor. Aan tafel gebeurde het opnieuw.
`Gaat over,` schreef hij.
De volgende ochtend zat er opgedroogd bloed op zijn kussen.
Iedereen in het dorp zei dat hij doof geboren was. Dokter Meijer noemde het “een gebrek van God”.
Maar een aangeboren gebrek hoort niet te bloeden.
Drie weken na onze bruiloft zakte Elias tijdens het eten naast de kachel in elkaar. Zijn rechteroor was rood en dik. Met moeite schreef hij:
`Vaak.`
`Sinds kind?`