— Omdat ze het spaarboekje bewaarde.
Dat bleek precies de reden.
Het originele boekje bevatte niet alleen de oude rekeninggegevens.
Op de laatste binnenkant van de kaft zat een nummer gedrukt dat verwees naar een geblokkeerde vermogensrekening.
Die code was in moderne systemen niet zichtbaar bij een standaard zoekopdracht.
Met het originele boekje konden bankmedewerkers de historische migratie reconstrueren.
Zonder dat boekje was het bewijs niet onmogelijk geweest.
Maar veel moeilijker.
Mijn vader wist dat.
Daarom gooide hij het in haar graf.
Maar er kwam nog een tweede twist.
Twee weken later belde notariskantoor Van Renssen mij.
— Mevrouw de Vries, wij hebben een document aangetroffen dat u moet zien.
Het testament waar mijn vader naar had verwezen bestond inderdaad.
Maar het was niet het laatste testament.
Oma had acht maanden voor haar dood een nieuw testament laten opstellen.
Bij een andere notaris in Hilversum.
Mijn vader wist daar niets van.
In dat testament stond dat mijn vader niet langer executeur was.
Die taak ging naar een professionele executeur.
Daarnaast stond er een aparte verklaring in.
Oma schreef dat zij “ernstige twijfels” had over de wijze waarop haar zoon Peter haar financiële zaken beheerde.
Ze had stukken verzameld.
Bankafschriften.
Kopieën van volmachten.
Brieven.
Ze had die in bewaring gegeven bij de notaris.
Mijn vader had dus niet alleen geld verduisterd.
Hij had na haar overlijden geprobeerd op basis van een oud testament de hele nalatenschap naar zich toe te trekken voordat het nieuwe testament boven water kwam.
De notaris vroeg:
— Heeft uw vader tegen u gezegd dat hij executeur was?
— Ja.
— Heeft hij al goederen verkocht?
Mijn maag draaide om.
— Hij wilde het huis meteen op de markt zetten.
Het huis bleek drie dagen na oma’s overlijden al te zijn aangemeld bij een makelaar.
Zonder dat tante Karin wist dat het nieuwe testament bestond.
Mijn vader had haast gehad.
Nu begreep ik waarom.
Hij wist dat als iemand lang genoeg ging zoeken, alles zou openbreken.
Toen de politie hem uiteindelijk aanhield, stond ik niet buiten te wachten.
Ik zag het pas later op beelden die een buurman naar tante Karin stuurde.
Mijn vader liep zijn kantoor uit met een jas over zijn armen.
Geen dramatische scène.
Geen geschreeuw.
Geen handboeien boven zijn hoofd.
Gewoon een man van negenenvijftig die jarenlang iedereen had verteld dat hij de verstandigste persoon in de kamer was.
Hij keek naar de grond.
Mijn broer Mark belde mij diezelfde avond.
— Dit is jouw schuld.
Ik sloot mijn ogen.
— Nee.
— Als jij dat boekje gewoon had laten liggen…
— Dan was wat hij gedaan heeft nog steeds gebeurd.
— Maar dan zat hij nu niet vast.
— Dat is niet hetzelfde.
Mark was vijf jaar jonger dan ik en had altijd dichter bij mijn vader gestaan.
Hij had zelfs een paar jaar voor hem gewerkt.
— Pap heeft ook goede dingen gedaan — zei hij.
— Dat ontken ik niet.
— Hij was in paniek. Zijn bedrijf ging slecht.
— Dus stal hij van oma.
— Misschien wilde hij het terugbetalen.
— Heeft hij dat gedaan?
Stilte.
— Mark, driehonderdtienduizend euro verdwijnt niet per ongeluk.
Hij verbrak de verbinding.
Pas maanden later begreep ik waarom hij zo fel reageerde.
Mijn vader had ook geld in Marks bedrijf gestoken.
Geld waarvan Mark dacht dat het een persoonlijke lening van onze vader was.
Een deel bleek afkomstig van oma’s vermogen.
Mark had het niet geweten.
Maar hij schaamde zich.
Dat was zijn woede.