Bloed?” vroeg ik.
Agent Ramirez knikte.
“Op de binnenkant van het raam. Niet op de vloer eronder. Niet op het gordijn. Alleen een paar kleine vegen op het glas.”
Wyatt kwam overeind uit zijn stoel.
“Is hij gewond?”
“Dat weten we nog niet.”
“En mijn ouders?”
“Uw vader en moeder zijn allebei nog in het huis. Uw zus ook.”
Die woorden deden iets vreemds met me. Mijn vader had me met een baksteen in het gezicht geslagen. Mijn moeder had gelachen. Melanie had toegezien alsof ze wachtte op een uitkomst die haar eindelijk zou bevallen. Toch voelde ik bij het idee dat er misschien nóg iemand in dat huis gewond was geen voldoening.
Alleen angst.
“Kan het van die oude man zijn?”
“Dat is een mogelijkheid.”
“Wie is hij?”
Ramirez keek me een paar seconden aan.
“Dat probeer ik uit te zoeken.”
Hij liep de kamer uit voordat ik nog iets kon vragen.
Niet lang daarna kwam een oogarts binnen. Ze stelde zich voor als dokter Patel en onderzocht mijn linkeroog onder een fel licht dat zelfs door mijn gesloten ooglid pijn deed. Ze legde uit dat de zwelling ernstig was en dat er een breuk rond de oogkas zat, maar dat de oogbol zelf er op de scans intact uitzag.
“Dat is goed nieuws,” zei ze.
“Kan ik mijn zicht terugkrijgen?”
Ze aarzelde net lang genoeg om me bang te maken.
“Er is een redelijke kans dat een groot deel van uw zicht terugkomt zodra de zwelling afneemt. Maar ik ga u geen zekerheid geven voordat we opnieuw kunnen testen.”
Wyatt kneep in mijn hand.
Ik knikte.
Ik kon met onzekerheid leven.
Wat ik niet meer kon verdragen, was machteloosheid.
Toen de arts vertrokken was, pakte Wyatt zijn telefoon. Een verpleegkundige had hem tijdelijk een oplader geleend omdat zijn eigen toestel beschadigd was geraakt, maar de simkaart nog werkte.
“Ik wil iets controleren,” zei hij.
“Wat?”
“Melanie.”
Hij opende een map met oude berichten.
Er stonden er tientallen.
Niet alleen berichten waarin ze flirtte.
Sommige waren bijna vriendelijk.
Je verdient iemand die begrijpt hoe jouw wereld werkt.
Sadie past niet bij het leven dat je nu hebt.
Mijn ouders zien het ook.
Andere waren minder subtiel.
Als je eenmaal getrouwd bent, wordt alles ingewikkelder.
Je kunt nog terug.
En dan, drie weken eerder:
Ze zal uiteindelijk wel begrijpen dat sommige dingen niet voor haar bedoeld zijn.
Mijn maag trok samen.
“Heb ik die ooit gezien?”
Wyatt schudde zijn hoofd.
“Ik wilde je er niet mee belasten. Ik dacht dat negeren de snelste manier was om haar te laten stoppen.”
“Waarom heb je dit niet verteld?”
“Because I thought she was pathetic, not dangerous.”
Hij sprak de Engelse zin zo scherp uit dat hij daarna zelf leek te schrikken.
Ik bleef naar het scherm kijken.
“Stuur alles naar Ramirez.”
“Doe ik.”
Toen hij verder naar beneden scrolde, bleef zijn duim plotseling stil staan.
“Wat?”
Hij draaide het scherm naar me toe.
Een foto.
Melanie stond voor een restaurant, breed glimlachend naast mijn ouders.
Naast hen stond de oudere man vanachter het gordijn.
Mijn adem stokte.
“Dat is hem.”
Wyatt keek weer naar de foto.
“Ben je zeker?”
“Ja.”
Mijn hart sloeg sneller.
“Wanneer is dit gemaakt?”
Hij tikte op de details.
“Zeven maanden geleden.”
Ik staarde naar het gezicht van de man. Hij zag er op de foto anders uit. Netter. Minder broos. Geen angst in zijn ogen.
“Waarom heb jij deze foto?”
“Melanie stuurde hem.”
“Waarom?”
Wyatt scrolde omhoog naar het bijbehorende bericht.
Familiediner zonder de saaie mensen.
Mijn naam stond er niet bij.
Dat hoefde ook niet.
“Wie is hij?” fluisterde ik.
Wyatt zoomde in op de foto.
Achter hen hing een bord met de naam van het restaurant.
Toen viel mijn blik op iets kleins.
De man droeg een reversspeld.
Een zilveren letter D.
Davis.
Voordat ik iets kon zeggen, kwam Ramirez terug. Dit keer was er een rechercheur bij hem, een vrouw met kort donker haar die zich voorstelde als rechercheur Elena Brooks.
Wyatt gaf hen onmiddellijk de foto.
Brooks keek ernaar, toen naar mij.
“U kent deze man echt niet?”
“Nooit gezien.”
“En u hebt hem nooit op familiefeesten gezien?”
“Nee.”
Ze draaide de telefoon naar Ramirez.
Hij vloekte zacht.
“Wat?” vroeg ik.
Brooks trok een stoel naar mijn bed.
“De agenten in het huis hebben een portefeuille gevonden.”
Mijn mond werd droog.
“Van hem?”
“Waarschijnlijk.”
Ze haalde een doorzichtige bewijszak uit haar map. Daarin zat een oude leren portefeuille.
“Er zat geen rijbewijs meer in. Maar wel een visitekaartje.”
Ze draaide de zak om.
Op het kaartje stond een naam.
Walter Davis.
Ik keek naar Ramirez.
“Davis?”
Hij knikte langzaam.
“Ja.”
Mijn vader had nooit over een Walter gesproken.
Geen oom.
Geen broer.
Geen neef.
Niemand.
Rechercheur Brooks legde de bewijszak op tafel.
“Er zat nog iets in.”
Ze haalde een tweede zak tevoorschijn.
Een vergeelde foto.
Mijn vader was erop te zien, zeker vijfendertig jaar jonger.
Naast hem stond Walter.
En tussen hen in stond een vrouw die ik onmiddellijk herkende.
Mijn grootmoeder.
Maar wat mijn adem volledig wegnam, was niet de foto.
Het was wat achterop stond geschreven.
In haar handschrift.
Gregory krijgt niets zolang Sadie leeft.
Mijn vingers werden koud.
“Wat betekent dat?”
Brooks antwoordde niet meteen.
In plaats daarvan keek ze naar Ramirez.
Toen naar Wyatt.
Daarna weer naar mij.
“Sadie,” zei ze voorzichtig, “is er ooit met u gesproken over het testament van uw grootmoeder?”
“Nee.”
“Ook niet door uw vader?”
“Nee.”
De rechercheur knikte alsof dat precies het antwoord was waarvoor ze bang was geweest.
“Dan denk ik dat we eindelijk weten waarom die oude man u probeerde te waarschuwen.”
Mijn keel kneep dicht.
“Waarom?”
Brooks keek naar de foto in de bewijszak.
“Omdat Walter Davis niet zomaar een familielid is.”
Ze pauzeerde.
“Hij is de man die het originele testament heeft bewaard.”