De eerste leugen van de avond ontsnapte, gehuld in een glimlach, aan de lippen van mijn moeder.
‘Er moet een misverstand zijn,’ zei ze tegen de vrouw aan de inschrijfbalie, haar stem kalm en elegant, dezelfde stem die ze gebruikte wanneer ze welwillend wilde klinken terwijl ze stiekem iemand afkraakte. ‘Mijn jongste dochter had niet uitgenodigd moeten worden.’
Ik was nog maar net onder de goudverlichte boog van de balzaal doorgelopen toen ik haar hoorde. Om ons heen glinsterde de zaal van een ogenschijnlijk moeiteloze rijkdom die in werkelijkheid nooit echt moeiteloos was geweest: enorme kristallen kroonluchters, witte rozen die uit zilveren vazen stroomden, vioolmuziek die zweefde boven het zachte geklingel van champagneglazen, mannen in smoking die deden alsof hun geld hen verfijning had bijgebracht, vrouwen in galajurken die deden alsof hun wreedheid hen gracieus had gemaakt.
En daar stond ik dan, mijn uitnodiging in de ene hand en mijn waardigheid in de andere, met het voorgevoel dat ik een van beide wel eens zou kunnen verliezen voordat de avond voorbij was.