Psychologen waarschuwen: zeg deze 5 dingen NOOIT tegen je kinderen (zelfs niet als grapje)

Sommige kinderen reageren daarop met paniek of verdriet. Andere kinderen lijken juist onverschillig. Maar ook dan kan de boodschap blijven hangen. Ze kunnen denken dat ze te veel zijn. Of dat ze alleen geliefd zijn als ze zich goed gedragen. Natuurlijk mag je zeggen dat je moe bent of pauze nodig hebt. Dat is zelfs gezond. Je kunt bijvoorbeeld zeggen: “Ik ben nu heel boos, ik ga even rustig worden.” Of: “Ik heb vijf minuten nodig en daarna praten we verder.” Daarmee geef je een grens aan zonder je kind af te wijzen. Je laat zien dat emoties mogen bestaan, maar dat liefde blijft.

3. “Waarom kun jij niet zijn zoals je broer of zus?”

Vergelijken lijkt soms handig. Misschien hoop je dat je kind beter gaat luisteren als je wijst naar een broer, zus of klasgenoot. Toch werkt het vaak averechts. Een kind voelt zich daardoor niet gemotiveerd, maar minder goed. Als je zegt dat een ander kind iets beter doet, hoort je kind vooral dat het tekortschiet. Dat kan jaloezie, schaamte of boosheid oproepen. Ook kan het de band tussen broers en zussen onder druk zetten.

Kinderen willen gezien worden om wie ze zijn. Niet als mindere versie van iemand anders. Elk kind heeft een eigen tempo, karakter en manier van leren. De een is rustig, de ander druk. De een is netjes, de ander creatief chaotisch. Je kunt beter benoemen wat je van je kind nodig hebt. Zeg bijvoorbeeld: “Ik wil dat jij nu je schoenen aantrekt.” Of: “Ik zie dat je broer al klaar is, maar ik help jou even op weg.” Zo hou je de aandacht bij je eigen kind, zonder vergelijking. Dat maakt corrigeren veel eerlijker. Je kind hoeft niet te concurreren om jouw goedkeuring.

4. “Stel je niet zo aan”

Deze zin wordt vaak gezegd wanneer een kind huilt, bang is of boos reageert. Voor een ouder lijkt de situatie misschien klein. Een kapot koekje, een verloren knuffel of een ruzie op school voelt voor jou misschien niet groot. Voor je kind kan het op dat moment wél groot zijn.

Als je zegt dat je kind zich aanstelt, leer je eigenlijk dat gevoelens overdreven of lastig zijn. Daardoor kan een kind emoties gaan inslikken. Het kan minder snel naar je toe komen wanneer er echt iets is. Kinderen moeten juist leren wat ze voelen. Ze hebben daar hulp bij nodig. Dat betekent niet dat je alles groter moet maken dan het is. Je hoeft niet mee te gaan in drama. Maar je kunt gevoelens wel serieus nemen.

Zeg bijvoorbeeld: “Ik zie dat je verdrietig bent.” Of: “Je had graag dat koekje heel gehouden, hè?” Daarna kun je rustig verder. Je erkent het gevoel, zonder dat je de situatie uit de hand laat lopen. Dat helpt een kind om emoties te begrijpen. Het leert dat gevoelens mogen bestaan, maar ook weer voorbijgaan.