‘De passagier in rij veertien probeert contact te maken met de beschermde minderjarige in 2A,’ zei Lotte. ‘Het dossier bevat een overdrachtsverbod.’
Pieter lachte kort.
‘Dit is absurd. Ik ben familie.’
‘Dat is geen bewijs van voogdij,’ zei de kapitein.
‘Ik heb het ouderlijk gezag geregeld.’
‘Dan kunt u dat bij aankomst aan de politie laten zien.’
Pieter keek naar de cockpitdeur. Daarna naar de open vliegtuigdeur achter hem.
Op dat moment zag ik voor het eerst iets anders in zijn gezicht dan irritatie.
Angst.
Niet om Joris. Om wat er zou gebeuren als de vlucht niet meer onder zijn controle stond.
Hij liep terug naar zijn stoel, langzaam genoeg om niet tegengehouden te worden. Toen hij langs mij kwam, rook ik een scherpe geur van munt en aftershave.
Op zijn telefoon verscheen een bericht.
Hij las het, draaide het scherm naar zijn lichaam en stopte het toestel weg.
Lotte bleef naast Joris staan.
‘Wil je water?’ vroeg ze.
Joris schudde zijn hoofd.
‘Sap?’
Ook dat niet.
‘Wil je dat ik hier blijf?’
Na een korte stilte knikte hij.
Ingrid stond enkele meters verderop. Ze had haar armen over elkaar geslagen en keek naar de grond. Voor het eerst leek ze niet op een vrouw die alles onder controle had.
‘Wat stond er precies in dat dossier?’ vroeg ik zacht aan Lotte.
Ze keek eerst naar de kapitein. Die knikte.
‘Ik kan u niet alles vertellen. Maar er staat dat Joris niet aan Pieter van Rees mag worden overgedragen. Er is een gerechtelijk bevel. Zijn moeder heeft hem laten registreren voor beschermde overbrenging.’
‘Waarom weet hij dat niet?’
‘Omdat hij zes is.’
Joris hoorde ons blijkbaar toch.
‘Mijn moeder is niet dood,’ zei hij.
Lotte verstijfde.
Pieter, die achterin zat, keek meteen op.
Joris kneep zijn ogen dicht.
‘Ze is niet dood,’ herhaalde hij. ‘Oom Pieter zei dat ze weg was. Maar mama zei dat ze terug zou komen als ik naar tante Eva ging.’
Lotte ging op haar hurken voor hem zitten.
‘Wie heeft gezegd dat je moeder dood was?’
‘Niemand zei dood. Oom Pieter zei dat ik moest zeggen dat ze weg was.’
‘En waar is je moeder nu?’
Joris drukte de knuffelolifant tegen zijn borst.
‘Dat weet ik niet.’
Toen gaf hij over.
Niet veel. Alleen een zure, waterige plek op zijn jas. Maar het was genoeg om de cabine volledig stil te krijgen.
Lotte hielp hem overeind. Ingrid haalde servetten. Een oudere passagier gaf zonder iets te zeggen een stoffen zakdoek aan.
Pieter stond op.
‘Ik ga naar hem toe.’
‘Nee,’ zei de kapitein.
‘Hij is ziek.’
‘Er wordt voor hem gezorgd.’
‘Ik ben zijn familie.’
‘En u blijft zitten.’
Pieter legde beide handen op de rugleuning van een stoel.
‘U maakt een kind bang door van een gewone reis een misdaadzaak te maken.’
Ik keek naar Joris. Zijn gezicht was bleek. Zijn ogen bleven strak gericht op Pieter.
‘Het is al een misdaadzaak,’ zei ik.
Pieter draaide zich naar mij om.
‘U weet helemaal niets.’
‘Dat klopt. Maar hij weet blijkbaar genoeg om niet met u mee te willen.’
De deur van het vliegtuig stond nog steeds open. Twee medewerkers van de luchthaven verschenen bij de ingang. Achter hen stond een marechaussee met een hand op zijn riem.
Pieter zag hen en ging zitten.
Niemand zei iets toen de deur werd gesloten.
Even later begon het vliegtuig te bewegen.
Joris zat nog altijd in 2A. De stoel die Ingrid hem eerst wilde afnemen, stond vlak bij de kombuis en binnen het zicht van de bemanning. Lotte controleerde drie keer of zijn gordel goed zat. Ingrid kwam niet dichterbij.
Tijdens het opstijgen hield Joris de blauwe olifant met beide handen vast. Bij het moment waarop de wielen de grond verlieten, sloot hij zijn ogen. Zijn lippen bewogen.
‘Wat zeg je?’ vroeg ik.
‘Dat mama niet boos moet zijn.’
Ik wist niet wat ik daarop moest zeggen.
Na twintig minuten kwam Lotte langs met een dienblad. Ze zette een glas appelsap voor hem neer. Daarna legde ze een klein pakje koekjes naast zijn knuffel.
‘Je mag ook niets eten,’ zei ze. ‘Het hoeft niet.’
‘Dank u.’
Hij sprak zo beleefd dat het pijn deed.
Ingrid bleef aan de andere kant van het gangpad staan.
‘Joris,’ zei ze uiteindelijk.
Hij keek niet op.
‘Ik wil mijn excuses aanbieden.’
Joris keek naar zijn arm.
‘U trok mij weg.’
‘Ja.’
‘Omdat u dacht dat ik loog.’
Ingrid slikte.
‘Omdat ik dacht dat het systeem een fout had gemaakt.’
‘Dat is niet hetzelfde.’
‘Nee,’ zei ze. ‘Dat is niet hetzelfde.’
Ze bleef staan. Ze raakte hem niet aan.
‘Ik had naar je moeten luisteren.’
Joris keek voor het eerst naar haar gezicht.
‘Mijn moeder zegt dat mensen vaak beter weten wat goed voor je is als ze je niet kennen.’
Ingrid knikte langzaam.
‘Je moeder klinkt verstandig.’
‘Ze is accountant.’
‘Dat helpt soms.’
Joris pakte een koekje.
Het leek op een klein einde van de spanning, maar ik wist inmiddels dat schijnbare rust in een vliegtuig weinig betekende.
Een uur later kwam Pieter naar voren.
Hij deed alsof hij naar het toilet moest. De rij bij de economycabine was vrij, maar hij liep door tot aan de afscheiding van de eerste klas.
Lotte stond daar al.