Deel 12: Rij 4 en rij 31, tien uur boven de oceaan
Ik ben Gunther Molenaar. Ik schrijf alles op. Dus ook dit.
KL681, donderdag. 13.40 uur vertrek, 13.52 uur in de lucht. Mevrouw Van der Meer op 31A, bij het raam. Ik op 31C, aan het gangpad, omdat mijn benen nergens anders passen. Meester Van Dongen op 4A, business class. Tussen ons zevenentwintig rijen en een gordijn.
Hij liet haar twee uur met rust. Toen ging het gordijn open.
Hij kwam door het gangpad met een glas witte wijn in zijn hand. Hij had zijn colbert uitgetrokken. Hij bleef staan bij rij 31 en keek naar mij. Ik keek terug. Mensen kijken meestal als eerste weg, bij mij. Hij niet. Dat schreef ik op.
„Meneer Molenaar,” zei hij. „Zou u even met mij van plaats willen ruilen? Ik heb 4A. Er zit een voetensteun bij.”
„Nee, dank u,” zei ik.
Hij lachte, alsof ik een grap had gemaakt. Toen hurkte hij in het gangpad, naast mijn stoel, zodat hij op ooghoogte met haar kwam. Ik voelde zijn schouder tegen mijn arm. Ik ging niet opzij.
„Clara,” zei hij zacht. „Je weet waarom ik hierheen vlieg.”
Ze keek uit het raam. Onder ons was alleen wolk.
„Voor Emily,” zei ze. „Haar zaken in Canada.”
„Emily heeft gisteren haar volmacht herroepen. Bij een notaris in de Pijp.” Hij nam een slok. „Dat is jammer. Ik had het huis kunnen verkopen en het geld kunnen terugstorten op de rekening van jouw bedrijf. Dan was jouw bankgarantie in één keer opgelost. Ik werk nog steeds voor jou, Clara. Dat lijk je te vergeten.”
„Op een rekening naar keuze van de gevolmachtigde,” zei ze.
Hij keek haar een tijdje aan.
„Je hebt veel gelezen deze week.”
„Ik heb tijd gehad.”
Hij draaide het glas in zijn hand. Het vliegtuig maakte een klein schokje. Een stewardess keek naar hem en zei dat hij moest gaan zitten. Hij knikte vriendelijk en bleef zitten waar hij zat.
„Ik ga je iets vertellen,” zei hij, „omdat ik vind dat je het moet weten voordat je vanavond iets doms doet. Rick Postma is geen betrouwbare man. Wat hij je ook laat horen, het is geknipt en geplakt. Een monteur met een laptop. Iedere rechter weet dat.”
„Waarom ga je er dan heen?”
„Omdat ik je advocaat ben. En omdat ik niet wil dat je vijftigduizend euro betaalt aan een man die je man heeft geholpen.”
Hoe wist hij van de vijftigduizend? Ik schreef het op. Ze keek even naar mij. Ze had het ook gehoord.
Toen zei hij iets wat ik niet begreep, en zij wel. Ik zag het aan haar handen. Ze klemde haar handtas, waar een knuffelkonijn uit stak met een pleister op zijn oor.
„Heb je je nooit afgevraagd, Clara, waarom de zaak van je moeder zes jaar duurde? Een anesthesist die de verkeerde dosis geeft. Een alarm dat niemand hoort. Zo'n zaak duurt geen zes jaar. Niet als je advocaat de eerste goede schikking aanneemt.”
Ze draaide haar hoofd. Nu keek ze hem aan.
„Wat bedoel je?”
„Dat ik veel voor je heb gedaan,” zei hij. „Meer dan je weet. En dat ik ook dingen weet die je liever niet in een rechtszaal hoort.” Hij stond op. Zijn knieën kraakten. „Slaap wat. Het is een lange vlucht.”
Hij liep terug naar voren. Het gordijn ging dicht.
Ze sliep niet. Ik ook niet. Om half vier boven Groenland vroeg ze of ik nog ooit in Emmen kwam. Ik zei dat ik er twintig jaar niet was geweest. Dat mijn dochter daar begraven lag, op de begraafplaats aan de Wilhelminastraat. Dat ik haar graf alleen ken van een foto die mijn ex-vrouw me ooit stuurde.
Ze zei niets. Ze legde alleen even haar hand op mijn arm, op de leuning. Een paar seconden. Toen haalde ze hem weg.
Ik heb het niet opgeschreven. Dat is de eerste keer in dertig jaar.
Vancouver, 15.10 uur plaatselijke tijd. Regen. Bij de gate stond een vrouw in burger met een lanyard van de RCMP. Sergeant Claire Tremblay. Frans-Canadees, klein, met een stem als een fluitje. Van Dongen liep langs ons heen naar de taxi's, zonder om te kijken.
Tremblay nam ons mee naar een kantoor in Burnaby. Op tafel lag een plattegrond van een industrieterrein langs de Fraser. Een rij loodsen met golfplaten daken. Eén ervan omcirkeld met rode stift. R.P. Auto Services.
„Rick Postma,” zei ze. „We kennen hem. Gestolen auto's, valse papieren, een paar dingen die we niet konden bewijzen. Hij heeft nooit iemand vermoord. Tot nu toe.” Ze keek naar mevrouw Van der Meer. „U gaat naar binnen met een microfoon onder uw kraag. U zegt dat u het geld bij u heeft. U laat hem de opnames afspelen. Zodra we een stem horen die we kunnen gebruiken, komen wij binnen. Meer niet. U gaat niet onderhandelen. U gaat niet slim zijn.”
„En als hij het geld wil zien?”
Tremblay schoof een envelop over tafel. Dik. Canadese dollars. Van de politie.
„En meneer Molenaar blijft in de auto,” zei ze. „Bij mij.”
Ik heb niet gezegd dat ik dat niet zou doen. Ik heb ook niet gezegd dat ik het wel zou doen.
17.30 uur. We stonden in een grijze bestelbus zonder ramen, aan de overkant van de straat, met de motor uit. Op een klein scherm zag ik het beeld van een camera op een lantaarnpaal. Een loods. Een roldeur, half open. Licht binnen. Een man die heen en weer liep. Klein. Kaal.
17.41 uur. Een auto draaide de straat in. Een witte huurauto. Hij reed langzaam langs de loodsen en stopte voor de roldeur.
Er stapte een man uit in een lange jas.
„Merde,” zei Tremblay.
Hij was twintig minuten te vroeg. Hij liep de loods in. De roldeur ging niet dicht.
Tremblay pakte haar radio. Ze praatte Frans, snel. Toen draaide ze zich om naar mevrouw Van der Meer, die achter in de bus zat met het konijn op haar schoot.
„Hij is binnen,” zei Tremblay. „Ze zijn met z'n tweeën. We breken het af.”
„Als we het afbreken,” zei mevrouw Van der Meer, „heeft hij over twintig minuten de opnames. En dan bestaan ze niet meer.”
Ze gaf me het konijn. Ze stopte het in mijn hand alsof ik wist wat ik ermee moest doen.
Toen deed ze de schuifdeur van de bus open en stapte de regen in.
17.47 uur. Ze liep de straat over. Door de koptelefoon hoorde ik haar hakken op het natte asfalt. Haar ademhaling. Toen de roldeur, die rammelde toen ze eronderdoor bukte.
En toen een stem die ik niet kende. Rotterdams. Hees.
„Mevrouw Kramer. U bent vroeg. Kom binnen, kom binnen. We waren het net over u aan het hebben. Meester Van Dongen wilde weten of u...”
Een harde knal. Gekraak.
Daarna niets meer. Alleen ruis.