VLIEG VANAVOND NOG NAAR VANCOUVER

Deel 13: De garage in Burnaby, en elf seconden die Rick had bewaard

De knal was de roldeur. Rick had hem achter me naar beneden getrokken, zo hard dat de golfplaten trilden. Pas later hoorde ik dat de microfoon onder mijn kraag op dat moment niets meer doorgaf. Een loods van staal is een kooi, zei Tremblay achteraf. Daar komt geen signaal uit.

Ik wist dat niet. Ik dacht dat ze meeluisterden.

Het rook naar olie en natte sigaretten. Aan het plafond hingen tl-buizen, waarvan er één knipperde. Er stonden drie auto's met de motorkap open. Achter in de loods, op een bok, een zwarte Ford Explorer zonder wielen.

De tweede auto. Die voor mij.

Rick Postma was kleiner dan ik had gedacht. Hij kwam tot mijn schouder. Een kaal hoofd, een litteken dat door zijn linkerwenkbrauw liep, een overall met olievlekken. Hij had een laptop op een werkbank staan, naast een blikje Heineken.

Reinier van Dongen stond tegen een kast met gereedschap geleund, met zijn handen in de zakken van zijn lange jas. Hij zag er moe uit. Voor het eerst sinds ik hem kende, zag hij er oud uit.

„Clara,” zei hij. „Ik had je gevraagd om niets doms te doen.”

„Jij bent twintig minuten te vroeg,” zei ik.

„Ik ben altijd te vroeg. Dat weet je.”

Rick klapte in zijn handen. „Mooi. Iedereen is er. Dan gaan we het netjes doen. Ik heb één ding te verkopen en twee kopers.” Hij tikte op de laptop. „Meester heeft honderdduizend geboden. Dollar. Mevrouw?”

Ik haalde de envelop van de politie uit mijn tas. Mijn handen waren nat van de regen.

„Ik wil eerst horen wat ik koop.”

Rick grijnsde. Hij had een gouden tand achterin. „Eerlijk is eerlijk.”

Hij drukte op een toets.

Eerst ruis. Een auto, binnen. Een richtingaanwijzer die tikte. Toen Davids stem. Zo dichtbij dat ik een stap achteruit deed.

„De remleiding. Niet helemaal. Zo dat het pas op de afdaling gebeurt. Niet op de snelweg, Rick. Op de Sea-to-Sky. Daar is niks naast de weg.”

Rick: „En wie betaalt de rest als het klaar is?”

David: „Dat hoor je van hem. Reinier zit naast me. Zeg het hem zelf.”

Een pauze. Iemand schraapte zijn keel. En toen de stem die zes jaar lang tegen mij had gezegd dat hij me niet zou loslaten.

„Ik heb hier niets gehoord, David. Maar ik zeg je één ding. Niet vóór week achtendertig. Als het eerder gebeurt, is het geld van de schikking nog niet van haar. Dan heb je niets. Dan hebben we niets.”

Elf seconden. Rick zette hem stil.

Het werd heel stil in de loods. De tl-buis knipperde.

Ik keek naar Van Dongen. Hij keek niet naar mij. Hij keek naar de laptop. Er bewoog niets in zijn gezicht.

„Tweehonderdduizend,” zei hij.

„Meester,” zei Rick blij.

„Dat is gemanipuleerd,” zei Van Dongen tegen mij, kalm. „Dat weet je. Hij heeft stemmen aan elkaar geknipt. Maar ik betaal het, omdat ik niet wil dat jij dit in een rechtszaal moet horen. Omdat het je kapot zou maken. Ik doe het voor jou, Clara. Zoals altijd.”

„Je hebt een paraaf gezet op pagina zeven,” zei ik. „Eén miljoen. Voor Stichting Gracht 418.”

Nu keek hij me aan.

„Je weet het,” zei hij langzaam.

„Ik weet het sinds dinsdagnacht. David heeft het origineel naar je opgestuurd. Via Gunther. Het is nooit aangekomen.”

Er gebeurde iets met zijn gezicht. Het werd niet boos. Het werd leeg. Alsof iemand de stekker uit een lamp had getrokken.

„Zes jaar,” zei hij. Zacht. „Zes jaar heb ik die zaak van je moeder gedragen. No cure, no pay. Dertig procent. Weet je hoeveel uur ik erin heb gestoken? Ik had schulden, Clara. Een huis aan de gracht dat ik niet kon betalen. Een vrouw die vertrok. En dan kwam jouw man bij me, op een borrel, en vroeg hoe lang het nog duurde. En ik dacht: als ik dertig procent krijg van vijf miljoen, of één miljoen van tien...”

„Je hebt me in die auto gezet,” zei ik.

„Jij had in die auto moeten zitten,” zei hij. Gewoon. Als een rekensom. „Niet die domme meid. Niet David. Jij. Dan was het klaar geweest. Dan had ik je kinderen nog gezien op je begrafenis en ze een hand gegeven.”

Ik voelde de grond onder me bewegen. Het was de grond niet. Het waren mijn knieën.

Rick lachte zenuwachtig. „Oké. Oké. Ik hoor geen bod meer van mevrouw. Dus...”

Hij klapte de laptop dicht en stak hem naar Van Dongen uit.

Op dat moment ging de roldeur omhoog.

Niet met een knal. Langzaam, met een gekreun van metaal, alsof iemand hem met zijn handen optilde. Wat ook zo was.

Gunther stond in de deuropening. Doorweekt. Hij had het konijn met de pleister nog in zijn ene hand. Met de andere hield hij de roldeur omhoog, boven zijn hoofd, alsof het niets woog.

„Discipline is regels,” zei hij tegen niemand in het bijzonder. „Regel één. Niemand pakt iets aan voordat de opdrachtgever het zegt.”

Rick liet de laptop bijna vallen.

Achter Gunther kwamen ze binnen. Tremblay als eerste, met haar pistool naar beneden gericht. Vier agenten in regenjacks met RCMP op de rug. Blauw licht dat over de natte golfplaten zwiepte.

Van Dongen bewoog niet. Hij stond nog steeds tegen de gereedschapskast. Hij keek naar de agenten zoals hij in kamer 602 naar David had gekeken. Als naar iets wat jammer was.

„Ik ben advocaat,” zei hij tegen Tremblay, in het Engels. „Ik ben hier namens een cliënt.”

„U was er namens uzelf,” zei Tremblay. Ze wees naar het plafond. In de hoek, boven het prikbord met de rekeningen, hing een kleine witte camera met een rood lampje. „Uw vriend neemt alles op, meneer. Dat is zijn verzekering. Dat had u kunnen weten. U hebt zelf aan mevrouw De Wit gevraagd waar hij zijn kluis had.”

Rick keek naar de camera. Toen naar Van Dongen. Toen naar zijn schoenen.

„Altijd,” mompelde hij. „Ik neem altijd alles op.”

Ze namen Rick mee voor poging tot moord en het saboteren van een voertuig. Van Dongen voor samenzwering tot moord en poging tot omkoping van een getuige. In Canada. Want de remleiding was in Canada doorgesneden, zei Tremblay. Op Canadese grond. Met een Canadese rotswand.

Ik stond buiten onder het afdakje van de loods. Het regende nog steeds. Gunther kwam naast me staan en gaf me zijn jas. Hij was zo groot dat hij tot mijn knieën kwam. Hij rook naar regen en naar het vliegtuig.

„U had in de bus moeten blijven,” zei ik.

„U ook,” zei hij.

Hij gaf me het konijn terug. Het was nat. De pleister zat nog op zijn oor.

Ik belde naar huis. Het was in Utrecht drie uur 's nachts, maar tante Riet nam op bij de eerste toon. Ze had niet geslapen. Ze had op de bank gezeten met de telefoon op haar schoot.

„Lily is net wakker,” zei ze. „Ze wil je iets laten horen.”

Gestommel. Toen een klein, schor stemmetje.

„Mama? Mama, luister.”

Ik hoorde haar diep inademen. Heel diep. Zonder piepen. Zonder dat kleine haperende geluid dat ik drie weken lang 's nachts in mijn slaap had gehoord.

Toen blies ze. Een lange, harde blaas, recht in de telefoon.

„Ik heb de kaars van tante Riet uitgeblazen,” zei ze trots. „In één keer.”

Ik ging op mijn hurken zitten, tegen de natte muur van een loods in Burnaby, met Gunthers jas om me heen, en huilde. Voor het eerst in een maand niet op de wc. Niet met de kraan aan.

Gunther ging een stukje verderop staan en keek naar de regen.

Om tien over acht ging mijn telefoon weer. Hendriks. In Amsterdam was het vijf uur 's ochtends.

„Ik heb het gehoord,” zei hij. „Tremblay heeft me gebeld. Goed werk. Slecht werk, maar goed werk.” Hij zweeg even. „Mevrouw Van der Meer, er is nog iets. Kramer heeft vannacht om drie uur zijn advocaat ontslagen. Hij wil praten. Maar alleen met u.”

„Ik heb hem niets meer te zeggen.”

„Hij zegt dat hij weet waarom de zaak van uw moeder zes jaar heeft geduurd,” zei Hendriks. „En dat er in de kluis aan de Keizersgracht een brief ligt die u nooit heeft gezien. Uit 2023.”