Deel 6: Twintig minuten bij de keldertrap en een map met de naam Project M
Notaris Van Dongen hield het register onder een leeslamp en zei een hele tijd niks. Toen pakte hij een vergrootglas uit zijn bovenste la. Een echt vergrootglas, met een houten handvat. Ik wist niet dat mensen die nog hadden.
„Gescheurd,” zei hij. „Niet geknipt. Iemand had haast, maar ook verstand. Langs de rug, zodat het boek dicht blijft vallen.”
„Kunnen we niet gewoon de kopie gebruiken? U had toch een kopie gezien?”
„Gezien, mevrouw. Niet gehouden. Uw grootmoeder wilde de originele bladzijde in het boek laten. Ze zei, en ik citeer, dat een recept dat je uit een boek haalt doodgaat.” Hij legde het vergrootglas neer. „Ik heb een notitie in mijn dossier. Een notitie van een notaris is iets. Maar het is geen handtekening.”
Serena zat naast me. Ze droeg een spijkerbroek van mij en een trui van de hotelwinkel met Amsterdam erop. Ze had nog niks gezegd sinds we binnen waren.
„Wie was de getuige?” vroeg ze ineens.
Van Dongen bladerde in zijn dossier. Hij keek naar haar, toen naar mij.
„Dat staat er niet bij. Alleen dat er een getuige was. Uw grootmoeder wilde de naam liever niet in mijn stukken. Ze zei dat die persoon al genoeg te verliezen had.”
We keken elkaar aan. Geen van ons zei een naam. We dachten allebei dezelfde.
In de auto, op de parkeerplaats achter het notariskantoor, vertelde ik Serena over het diner. Over Julian die opstond. Over de keldertrap.
Ze luisterde met haar ogen dicht.
„Twintig minuten,” zei ze. „Ik weet het nog. Ik vond het lang. Ik dacht dat hij met een andere vrouw belde.” Ze lachte even. „Grappig, hè. Dat ik daar toen jaloers op was.”
„Serena.”
„Hij heeft een kast in zijn werkkamer. In Wassenaar. Groen, metaal, zo'n ouderwetse archiefkast. Hij zit altijd op slot. Hij zegt dat er belastingpapieren in zitten. Ik mag er niet aan komen.” Ze opende haar ogen. „Het sleuteltje hangt achter de klok in de gang. Hij denkt dat ik dat niet weet.”
„Nee.”
„Het is mijn huis, Elora. Ik woon daar. Ik mag mijn eigen huis in.”
„Hij doet je wat.”
„Hij zit om drie uur bij Brouwer. Papa's advocaat. Ze bereiden de zitting voor.” Ze keek op haar telefoon. „Dat is over veertig minuten. Ik weet het, want ik heb die afspraak vorige week zelf in zijn agenda gezet. Dat doe ik namelijk. Ik zet dingen in zijn agenda.”
Ik wilde nee zeggen. Ik zei niks. Ik startte de auto.
De villa ligt aan een laan met beuken in Wassenaar, achter een hek met een intercom. Ik parkeerde om de hoek, bij een bushokje, met de motor uit.
Serena belde me op het moment dat ze de voordeur opendeed. We hadden afgesproken dat ze de verbinding open zou houden.
„Ik ben binnen.”
Ik hoorde haar voetstappen op de stenen vloer. Een klok die tikte. Toen een zacht metalen geluid.
„Ik heb het sleuteltje.”
„Serena, je kunt nog steeds...”
„Stil. Ik ben bij de kast.”
Een lade die openschoof. Papier.
„Belastingpapieren,” zei ze. „Echt waar. Aangiftes. 2021, 2022.” Een pauze. „Wacht.”
„Wat?”
„Achterin. Een map. Een blauwe map met een elastiek erom.” Het elastiek knapte. „Er staat iets op de rug. Met viltstift. Project M.”
„M van Machteld,” zei ik. „Oma.”
Het bleef even stil. Ik hoorde haar bladeren.
„Nee,” zei ze toen. „Niet van oma.”
„Van wat dan?”
„Elora, er zit een foto van jou in. Uit een vakblad, uitgeknipt. Jij in je koksbuis, in de kelder, met een plaat soezen. Er staat met pen bij: patissière, 23 jaar, maakt de recepten van de oude vrouw.”
Mijn handen lagen op het stuur. Ik voelde het leer onder mijn duimen.
„Lees wat er verder staat.”
„Het is een soort tijdlijn. In Julians handschrift. Januari 2018: proeverij Utrecht, contact leggen. Belangstelling tonen voor haar recepten. Zomer 2019: verloving. Na huwelijk: register in gemeenschap van goederen.”
Ze haalde adem.
„Met een uitroepteken erachter. Gemeenschap van goederen, uitroepteken.”
Ik keek naar het bushokje. Er hing een poster in van een uitzendbureau. Werk waar je blij van wordt. Er zat een kauwgom op de W.
„Wanneer is die map gemaakt?”
„Er zit een datum op het eerste blad. Twaalf november 2017.” Haar stem werd zachter. „Jullie eerste date was in januari. Toch? Op die proeverij.”
„Ja.”
„Hij had jou al twee maanden gepland voordat hij je ooit had gezien.”
Ik zei niks. Wat moest ik zeggen. Ik had in die tijd een dagboek bijgehouden. Ik had over die proeverij geschreven dat het de eerste keer was dat iemand naar mijn werk vroeg in plaats van naar dat van Serena. Ik had het onderstreept.
„Er is nog een blad,” zei Serena. „Los. Ander papier. Briefpapier van het restaurant.”
„Wiens handschrift?”
Ze zweeg lang. Ik hoorde het papier trillen in haar hand. Of ik verbeeldde het me.
„Van papa.”
„Wat staat er?”
„Eén regel. Als E. niet tekent vóór de bruiloft: plan S.”
Plan S.
Ik hoefde niet te vragen waar de S voor stond. Zij ook niet.
„Ik was een plan B,” zei ze. Ze lachte niet. „Ik dacht zeven jaar dat hij voor mij had gekozen. Dat ik eindelijk een keer had gewonnen van jou. Ik was gewoon de volgende letter.”
„Serena, maak foto's. Van alles. Nu. En kom naar buiten.”
„Ik doe het al.” Ik hoorde het klikgeluid van haar camera. Eén keer, twee keer, vijf keer.
Toen een ander geluid.
Grind.
Banden op het grind van de oprit. Een zware motor die stilviel. Een portier.
„Serena. Is dat Julian?”
Ze gaf geen antwoord. Ik hoorde haar adem. Snel. Door haar neus.
„Serena!”
„Nee,” fluisterde ze. „Dat is niet Julians auto. Dat is een Bentley.”
Een sleutel in de voordeur. Voetstappen op de stenen vloer van de gang. Langzaam. Een man die niet hoefde op te schieten, omdat het huis van hem was.
En toen een stem die ik maar één keer eerder had gehoord, op een verlovingsfeest dat nooit een bruiloft was geworden.
„Serena, meisje. Wat doe jij in de werkkamer van mijn zoon?”