ZIJ HOORT IN DE KEUKEN

Deel 7: De Bentley op de oprit en een telefoon die op het tapijt valt

Ik had de autodeur al open voordat ik wist wat ik ging doen.

Uit mijn telefoon kwam een doffe klap. Toen geschuifel. Toen niks meer dan het geruis van een plafond. Serena had haar telefoon laten vallen. Hij lag op het tapijt, met het scherm naar boven, en hij stond nog steeds aan.

Ik bleef bij de auto staan. Ik durfde niet te bewegen. Ik durfde niet eens te ademen, alsof ze me in die werkkamer konden horen.

„Ik zocht een pen,” hoorde ik Serena zeggen. Haar stem klonk ver weg. „Voor de kaarten. De bedankkaarten.”

„In een archiefkast die op slot zit.”

Constantijn Reuchlin. Ik had hem één keer ontmoet, op ons verlovingsfeest in 2019. Hij had mijn hand vastgehouden en gezegd dat ik „een vrouw met gouden handen” was. Ik had dat toen een compliment gevonden.

„Het sleuteltje hing achter de klok,” zei Serena.

„Dat weet ik, meisje. Ik heb het daar zelf opgehangen.”

Voetstappen. Dichterbij.

„Geef me die map maar.”

„Het is mijn huis.”

„Het is het huis van mijn zoon. Gekocht met mijn geld. Op een lening die nog loopt.” Hij zei het vriendelijk. Hij zei alles vriendelijk. „Weet je, je vader en ik hebben al sinds 2017 een afspraak. Een eerlijke afspraak. Hij kreeg geld om zijn restaurants overeind te houden. Ik zou iets terugkrijgen wat meer waard was dan geld. Dat het uiteindelijk jij werd en niet je zus, daar kon niemand iets aan doen. Jouw zus wilde niet tekenen. Jij wel.”

Het bleef stil.

„Geef me die map, Serena.”

Toen hoorde ik iets wat ik niet kon plaatsen. Een schuifdeur. Glas dat tegen een sponning sloeg. Een stoel die omviel. Constantijn die riep, niet meer vriendelijk: „Serena! Doe niet zo...”

En toen alleen nog voetstappen. Zijn voetstappen. Ze liepen weg van de telefoon. Een deur. Daarna niks.

Daarna een hand die de telefoon van het tapijt pakte. Ademhaling. Rustig. Een man.

Hij zei niks. Hij luisterde. Ik luisterde terug.

Toen werd de verbinding verbroken.


Ik reed drie keer de laan op en neer. Langs het hek, langs de beuken, langs de Bentley die schuin op het grind stond met het portier nog open.

Geen Serena.

Ik belde haar nummer. Het ging over. Zes keer. Toen voicemail. Hoi, met Serena, spreek maar wat in! Met een lachje erachter. Ik had haar voicemail nooit eerder gehoord. Ik had haar in zeven jaar nooit gebeld.

Ik belde nog een keer. Nu werd hij meteen weggedrukt.

Iemand anders had haar telefoon.

Ik zat veertig minuten in die auto bij het bushokje. Ik heb geen idee meer wat ik in die veertig minuten heb gedacht. Ik weet alleen dat ik de hele tijd naar de kauwgom op die W keek.

Om tien over vier ging mijn telefoon. Een 06-nummer dat ik niet kende.

„Elora?” Serena. Buiten adem. Op de achtergrond het piepen van een kassa en een omroepstem. „Ik sta bij een tankstation. Langs de A44. Ik heb de telefoon van de jongen achter de kassa geleend.”

„Ben je oké?”

„Ik heb de map.”

„Serena. Ben je oké?”

Ze zweeg even.

„Ik ben door de serre naar buiten gegaan. Door de achtertuin, over het hek van de buren. Ik ben mijn schoen kwijt. Weer. Ik heb een gat in mijn spijkerbroek. In jóuw spijkerbroek.” Ze lachte, of huilde, het klonk hetzelfde. „Kom je me halen?”


Ze zat op een kratje naast de bloemenemmers, met de blauwe map tegen haar buik en één sok aan. De jongen van de kassa had haar een koffie gegeven en een broodje kaas in plastic. Ze had het broodje niet opengemaakt.

„Hij heeft je telefoon,” zei ik.

„Weet ik.”

„Met alle foto's.”

„Weet ik. Maar ik heb dit.” Ze tikte op de map. „Papier kun je niet wissen.”

Ik gaf de jongen achter de kassa een tientje voor de koffie. Hij wilde het niet aannemen. Ik legde het naast de kassa.

In de auto bladerde ik door de map. Mijn foto uit het vakblad. De tijdlijn. Gemeenschap van goederen, uitroepteken.

Ik zocht het losse blad. Het briefpapier van het restaurant. Papa's regel. Plan S.

Het zat er niet in.

„Serena, dat blad van papa.”

„Dat lag bovenop. Dat had ik in mijn hand toen hij binnenkwam.” Ze sloot haar ogen. „Het is op de grond gevallen. Bij het bureau. Ik heb het laten liggen. Ik moest kiezen, Elora. De map of dat blad.”

„Je hebt goed gekozen.”

„Echt?”

„De map is in Julians handschrift. Dat blad was alleen papa.”

Dat was half waar. Zonder papa's regel was het Julians woord. Een tijdlijn van een man die verliefd was geworden op een kokkin, zou Brouwer zeggen. Romantisch, zou hij zeggen. Dat mag toch.

We reden zwijgend richting Amsterdam. Bij Leiden ging mijn telefoon. Van Dongen.

„Mevrouw, ik heb net rechercheur De Boer aan de lijn gehad. Er is een uur geleden aangifte gedaan. Tegen uw zus. Door de heer Julian Reuchlin.”

Ik keek opzij. Serena had het gehoord. De speaker stond aan.

„Waarvoor?”

„Diefstal van vertrouwelijke bedrijfsstukken uit de woning. En,” hij aarzelde, „inbraak in een afgesloten kast.”

„Het is haar eigen huis.”

„Ze zijn getrouwd op huwelijkse voorwaarden, mevrouw. De villa staat op naam van een BV van zijn vader. Juridisch is uw zus daar te gast.”

Serena draaide haar gezicht naar het raam.

„Te gast,” zei ze zacht. „Zeven jaar.”

Ik hing op. We stonden in de file bij Schiphol. Rode achterlichten tot aan de horizon.

„Er is nog iets,” zei Serena toen.

„Wat?”

„Toen ik in de serre stond. Achter het gordijn, voordat ik naar buiten ging. Constantijn belde iemand. Hij dacht dat ik al weg was.”

Ze draaide zich naar me toe.

„Hij zei jouw naam. Hij zei: Elora gaat het tegen donderdag niet redden, haar geld staat toch al vast. En toen zei hij nog iets. Over iemand die voor jou werkt.”

„Wie?”

Ze keek naar de map op haar schoot. Ze haalde adem om het te zeggen.

En toen hield ze haar mond weer dicht.