ZIJ HOORT IN DE KEUKEN

Deel 9: Vrijdag de lonen, een beslag van 3,2 miljoen en de cijferman

„Hij betaalt beter, Elora. Dat is alles. Jij betaalt goed. Hij betaalt beter.”

Diederik zei het met een frikandel speciaal voor zijn neus. Hij had hem niet aangeraakt. Ik ook niet, de mijne.

We zaten in Snackbar De Hoek aan de Putselaan in Rotterdam. Hetzelfde tafeltje bij het raam. Boven ons, op de eerste verdieping, had zes jaar geleden het eerste kantoor van Vanguard gezeten. Twee bureaus van Ikea, een printer die alleen in het zwart printte, en de geur van frituurvet die tot in onze kleren trok. Ik had hier mijn eerste businessplan geschreven. Diederik had de cijfers gemaakt. Op een laptop met een kapotte f-toets.

Ik had hem om negen uur 's ochtends een berichtje gestuurd. De Hoek. Twaalf uur. Of ik kom naar je huis. Hij was er om vijf voor twaalf.

„Hoeveel?” vroeg ik.

„Doet dat ertoe?”

„Ja.”

Hij draaide zijn colablikje rond op tafel.

„Mijn huis staat onder water. Tweede hypotheek, die ik nam toen we in 2022 bijna failliet gingen. Weet je nog? Toen ik zei dat ik het zelf wel regelde?” Hij keek niet op. „Ik stond bij het BKR. Met mijn naam. Mijn dochter wil gaan studeren. Constantijn Reuchlin heeft 280.000 euro van mijn schuld overgenomen. En een functie aangeboden. Financieel directeur van Reuchlin Holding, per januari.”

„En wat kreeg hij daarvoor?”

„Rekeningnummers. Je liquiditeitsprognose tot december. Dat je geld vastzit in de aankoop van papa's keten en dat je zonder die Antwerpse investeerders geen drie weken overleeft.” Hij slikte. „En het galaprogramma. Twee weken van tevoren.”

Ik zat heel stil.

De Telegraaf om zeven uur 's ochtends. Een volledig artikel, met een interview, met een foto van papa in de serre met oma's lijst op schoot. Ik had me al afgevraagd hoe je dat in één nacht maakt.

Dat maak je niet in één nacht.

„Ze wisten dat ik die prijs zou winnen.”

„Ze wisten het een week voor jou.” Hij keek me eindelijk aan. „Ze hadden het artikel al klaar. Ze wachtten alleen op de foto van jou op het podium.”

Ik had die avond gedacht dat ik eindelijk een keer degene was die iets wist wat zij niet wisten. Dat ik vanuit het donker naar voren stapte. Zij stonden al die tijd achter me met het licht.

„Het beslag,” zei ik. „Op welke grond?”

„Papa's vordering. Hij zegt dat Vanguard met gestolen recepten is opgebouwd, dus dat alle winst van hem is. 3,2 miljoen. Hetzelfde bedrag als die fraude. Dat is geen toeval. Brouwer vond het grappig.”

„Vond jij het grappig?”

Hij gaf geen antwoord.

Ik stond op. Ik legde 9,80 euro op tafel voor de twee frikandellen en de cola. Gepast. Ik wilde hem niks schuldig zijn. Zelfs geen frikandel.

„Elora.” Hij hield mijn mouw vast. „De Antwerpenaren trekken zich vanmiddag terug. Dat weet ik, want ik heb ze gisteravond gebeld. Ik heb gezegd dat ik niet meer voor de cijfers kan instaan.”

Ik trok mijn mouw los.

„Je hebt zes jaar voor de cijfers ingestaan, Diederik. Dat was het enige wat je hoefde te doen.”


Om vier uur belde Antwerpen. Een vriendelijke man met een zachte g die me liet weten dat hij „in de huidige omstandigheden” geen verdere stappen kon zetten. Hij wenste me sterkte. Hij zei het twee keer.

Om vijf uur rekende ik in mijn oude kantoortje bij de patisserie. Op de achterkant van een leverbon van de groenteboer, met een potlood van Ikea.

Lonen Restaurant Van der Meer, vrijdag: 58.400 euro bruto. Drieëntwintig mensen.

Vanguard kon niet betalen. Alles stond vast.

Op mijn eigen spaarrekening stond 61.200 euro. Zes jaar sparen. Daarvan had ik ooit een huis willen kopen. Een klein huis, met een tuin, met een fatsoenlijke oven.

Kees kwam binnen zonder te kloppen. Hij had een theedoek over zijn schouder.

„Ik heb met de jongens gepraat,” zei hij. „Ze willen wel een week wachten. Ook Mo. Ook Wendy.”

„Wendy moet haar huur betalen.”

„Dat zei ze zelf ook. En toen zei ze dat ze het wel bij haar moeder kon lenen. Ze heeft nog nooit iets van haar moeder geleend, Elora. Ze schaamt zich dood.”

Ik keek naar de leverbon.

„Niemand wacht,” zei ik. „Vrijdag staat het erop.”

„Waar haal je het dan vandaan?”

„Van een huis met een tuin.”

Hij snapte het niet. Hij hoefde het ook niet te snappen. Hij legde zijn grote hand even op mijn schouder, die hand die naar ui en sjalot rook, en liep weer naar boven.


Om elf uur 's avonds stond ik weer in een keuken.

Niet als eigenaar. Gewoon met mijn mouwen omhoog. De late kok had zich ziek gemeld en ik had gezegd dat ik het wel deed. Ik wilde iets met mijn handen doen dat niet bellen was.

Serena stond naast me. Ze droeg een te groot koksbuis van iemand van de afwas. Ze pelde sjalotjes. Langzaam en slordig, met haar tong tussen haar tanden.

„Zo?”

„Kleiner.”

„Kleiner kán niet.”

„Kleiner kan altijd.”

Ze gooide een schilletje naar me. Het bleef in mijn haar hangen. We waren dertig en tweeëndertig en we lachten om een sjalot. Het was de eerste keer in zeven jaar dat we samen lachten. Misschien wel langer.

Toen ging de achterdeur open. De deur naar de steeg, waar de leveranciers komen en de vuilniscontainers staan.

Mijn moeder stond in de deuropening. In een regenjas over haar nachtpon, met haar handtas onder haar arm. Ze was met de fiets gekomen. Ik zag het aan haar broekspijpen, die ze met een wasknijper had dichtgezet.

„Ik ben van huis gegaan toen hij sliep,” zei ze.

Serena legde haar mesje neer.

„Mam. Wat doe je hier?”

Mijn moeder keek naar mij. Niet naar Serena. Naar mij.

„Saskia heeft me gebeld. Die advocaat van jou. Over een cassette.” Ze kneep in haar tas. „Ze zei dat oma een naam wilde noemen. En dat het bandje toen kapotging.”

„Ja.”

„Dat was mijn naam, Elora.”

Ze zette een stap de keuken in. De wasknijper zat nog aan haar broek.

„Ik was de getuige. Op negen februari. In Laren. Ik heb onder oma getekend. En ik weet waar je vader die bladzijde bewaart. Ik weet het sinds juni.”

„Waar?”

Ze opende haar mond.

En keek over haar schouder, de donkere steeg in, alsof ze iets had gehoord.