De dag na mijn keizersnede zette mijn eigen moeder mijn tas bij de voordeur omdat mijn zus met haar baby mijn kamer nodig had. Ik kon nauwelijks rechtop staan toen ik haar vroeg me één nacht te laten herstellen; ze greep me bij mijn haar en zei dat ik “eindelijk eens niet zo egoïstisch moest doen”. Ik dacht dat het alleen om mijn kamer ging, tot ik de brief van de notaris zag die mijn vader haastig onder zijn koffie schoof.

“Ja.”

“Dan snap ik het niet.”

“Je oma heeft drie maanden voor haar dood haar testament gewijzigd.”

Mijn mond werd droog.

“En?”

“Ze heeft jou vijftig procent van haar nalatenschap gegeven.”

Ik zei niets.

“Femke vijfentwintig procent. Je moeder vijfentwintig.”

“Waarom weet ik dit nu pas?”

Mijn vader ademde uit.

“Omdat je moeder bezwaar heeft gemaakt.”

“Dat kan toch niet zomaar?”

“Nee. Daarom loopt het via de notaris.”

“Pap.”

Mijn stem werd harder.

“Waarom weet ik dit nu pas?”

Weer stilte.

Daarna zei hij:

“Omdat Ria post voor je heeft onderschept.”

Ik voelde mijn vingers koud worden.

“Welke post?”

“Brieven van de notaris.”

“Hoe?”

“Je stond hier ingeschreven.”

Dat klopte.

Na mijn breuk met Joris had ik tijdelijk mijn correspondentieadres bij mijn ouders gezet.

“En mijn mail?”

“De notaris had alleen je oude adres en een e-mailadres dat niet meer werkte.”

Ik kneep mijn ogen dicht.

“Hoe lang?”

“Vier maanden.”

Ik dacht aan mijn moeder die iedere ochtend de post uit de bus haalde.

Aan enveloppen die plotseling nooit voor mij waren.

Aan haar vraag, twee weken geleden:

“Heb je eigenlijk al iets geregeld voor als je straks weer op jezelf woont?”

Ik had gedacht dat het bezorgdheid was.

“Waarom wilde ze me gisteren weg hebben?”

Mijn vader antwoordde niet meteen.

Toen zei hij:

“Omdat vandaag de notaris hier komt.”

Het werd stil in de woonkamer.

Zelfs de koelkast leek harder te zoemen.

“Waarom?”

“Er moet worden gesproken over de nalatenschap en over een bedrag dat verdwenen is.”

Ik ging volledig rechtop zitten.

“Welk bedrag?”

“Bijna honderdtachtigduizend euro.”

Mijn maag trok samen.

Mijn vader vervolgde:

“Je moeder heeft vóór het overlijden van oma meerdere overboekingen gedaan met haar volmacht.”

“Waarheen?”

Hij fluisterde nu.

“Naar Femke en Lars.”

Daar was de tweede dreun.

Niet omdat Femke geld had gekregen.

Omdat ik ineens begreep waarom mijn moeder de grotere kamer nodig had voor haar.

Waarom alles altijd om haar draaide.

Waarom Lars vorig jaar opeens geld had voor een renovatieproject in Abcoude nadat hun hypotheekaanvraag eerst was afgewezen.

“Wist Femke dit?”

“Ik weet het niet.”

“Pap.”

“Ik weet het echt niet.”

“En jij?”

Hij zweeg.

Dat was antwoord genoeg.

“Hoeveel wist jij?”

“Ik wist van één lening.”

“Lening?”

“Dat zei Ria.”

Ik lachte zonder geluid.

“Natuurlijk.”

“Maar de notaris heeft bankafschriften opgevraagd.”

Ik keek naar mijn dochter.

“Waarom vertelt u mij dit nu?”

Ik noemde hem ineens u.

Hij hoorde het.

“Dat verdien ik,” zei hij.

“Ja.”

Hij slikte.

“De notaris wil jou vandaag spreken.”

“Dan kom ik.”

“Ria zal—”

“Dat is niet langer mijn probleem.”

Om half twee zat ik bij notaris Willem de Graaf in Utrecht.

Een kalme man van begin zestig met een donkerblauw pak en een stapel documenten die dikker was dan sommige familiebanden.

Marieke zat naast mij.

“Mevrouw Van Dijk,” zei hij, “ik wil eerst duidelijk maken dat wij u meerdere keren hebben geprobeerd te bereiken.”

Hij schoof kopieën naar mij.

Vier brieven.

Allemaal naar het adres van mijn ouders.

“Deze heb ik nooit gekregen.”

“Dat vermoeden hadden we inmiddels.”

Hij wees naar een handtekening op een ontvangstbevestiging.

Mijn naam.

Niet mijn handschrift.

Mijn keel trok dicht.

“Wie heeft dit getekend?”

“Dat proberen we vast te stellen.”

Ik wist het al.

Mijn moeder schreef mijn S altijd alsof het een acht was.

Hier stond precies zo’n acht.

Notaris De Graaf schoof een tweede document naar voren.

Het testament.

Oma Klara had erbij laten opnemen waarom zij mij het grootste deel naliet.

Niet omdat ik haar favoriete kleindochter was.

Dat woord gebruikte ze niet.

Ze schreef: