Het was een regenachtige dinsdagochtend. Ik stond in het magazijn pallets te verplaatsen toen mijn telefoon in mijn broekzak trilde. Het nummer op het scherm was dat van het verzorgingstehuis.
Mijn hart sloeg een slag over. Met trillende vingers nam ik op.
"Spreek ik met meneer De Wit?" vroeg een koele, professionele stem aan de andere kant van de lijn.
"Ja, daar spreekt u mee."
"Meneer De Wit, het spijt me verschrikkelijk u dit te moeten mededelen, maar uw moeder is vanmorgen vroeg in haar slaap overleden. De zuster vond haar om zeven uur tijdens de ochtendronde. Ze is heel rustig heengegaan."
De wereld om mij heen leek plotseling stil te staan. Het geluid van de heftrucks, het tikken van de regen op het golfplaten dak van het magazijn—alles vervaagde tot een holle ruis.
"Ze... ze was alleen?" stammelde ik.
"Ze heeft geen pijn gehad, meneer," zei de stem met een ingestudeerde deernis. "Voordat we haar kamer ontruimen, verzoeken we u om haar persoonlijke bezittingen op te halen. Ze heeft weinig achtergelaten, maar ze heeft expliciet gevraagd om haar plant aan u na te laten, samen met een klein briefje dat ze naast het bed had gelegd."
De Erfenis van Aarde
Een uur later liep ik door de stille gangen van het tehuis. De kamer van mijn moeder voelde koud en leeg aan. Het bed was al strak opgemaakt met wit laken.
Op het tafeltje bij het raam stond alleen nog de terracotta pot met de groene varen. Daarnaast lag een klein, dubbelgevouwen briefje van vergeeld papier.
Ik pakte het briefje met trillende handen op en vouwde het open. Het handschrift van mijn moeder was shaky en bibberig, heel anders dan de sierlijke letters die ze vroeger in mijn schoolschriftjes schreef.
Er stonden slechts vier woorden op geschreven:
"Zoek in de aarde..."
Ik staarde naar het briefje. Mijn ogen vulden zich met tranen die ik veertig dagen lang had opgepot. Ik pakte de zware terracotta pot vast, drukte hem tegen mijn borst en liep met snelle passen naar mijn auto.
Thuisgekomen was het stil in huis. Mijn vrouw was naar haar werk en de kinderen zaten op school. Ik liep rechtstreeks naar de keuken, zette de plant op de grote houten keukentafel en trok een paar rubberen werkhandschoenen aan.
Ik haalde de plant voorzichtig uit de pot. De wortels van de varen zaten strak om de zwarte, vochtige potgrond gewikkeld. Ik begon met mijn vingers de aarde los te woelen, niet wetende wat ik zocht. Verwachtte ik een oude foto? Een trouwring? Een klein aandenken aan mijn vader?