De rivier had mijn vaders laarzen al opgeslokt toen Ranger van de veranda sprong, zijn tanden in vaders jas zette en hem vasthield voordat het water hem meenam

Een korte stilte.

“Welk slot?”

“De achterdeur.”

“Nee.”

“Pap zegt dat het nieuw is.”

“Pap zegt de laatste tijd wel meer.”

Daar was het.

Heel klein.

Maar daar.

“Wat bedoel je daarmee?”

“Sanne, hij is bijna zeventig. Mam is dood. Hij woont alleen. Misschien moeten we stoppen met doen alsof hij nog alles onder controle heeft.”

Ik keek door het keukenraam naar mijn vader. Hij stond buiten met Ranger. Langzaam, met een wandelstok, maar rechtop.

“Hij weet precies wat hij doet.”

“Dat denk jij.”

Maarten hing op.

Twee dagen later kwam er een brief van een makelaarskantoor uit Apeldoorn.

Niet geadresseerd aan mijn vader.

Aan Maarten.

Op het adres van mijn vader.

Ik legde de envelop op tafel.

“Ken je Van Hees Vastgoed?”

Mijn vader las de naam.

Zijn gezicht veranderde nauwelijks.

Alleen zijn mond werd dunner.

“Dat is die man die hier vorige maand met Maarten rondliep.”

“Hier?”

“Ja. Maarten zei dat hij een vriend was.”

“Wanneer?”

“Toen jij in Frankrijk zat voor dat weekend.”

Ik herinnerde het me. Vier weken voor de overstroming.

Mijn vader tikte met één vinger op de envelop.

“Maak hem open.”

“Hij is niet aan jou gericht.”

“Hij ligt op mijn tafel.”

“Dat is juridisch geen argument.”

“Dan bel je Maarten en vraag je of hij toestemming geeft.”

Ik moest ondanks alles bijna lachen.

Mijn vader niet.

Ik belde.

Maarten nam pas na de vierde keer op.

“Wat?”

“Er ligt post voor jou bij pap.”

“Gooi maar in mijn brievenbus.”

“Van Hees Vastgoed.”

Opnieuw stilte.

“Niet openmaken.”

Mijn vader keek me aan.

“Zet hem op de speaker,” zei hij.

Maarten hoorde hem.

“Pap.”

“Wat heeft een makelaar in mijn huis gedaan?”

“Daar gaan we weer.”

“Geef antwoord.”

“Ik heb alleen geïnformeerd.”

“Waarnaar?”

“De waarde.”

“Van mijn huis?”

“Voor later.”

Mijn vader keek naar de envelop.

“Later is meestal na iemands dood.”

“Sla nou niet meteen door.”

“Kom hem halen.”

Maarten kwam diezelfde avond.

Hij droeg een donkerblauwe jas en natte sneakers. Geen paraplu. Zijn haar plakte tegen zijn voorhoofd.

Hij nam de envelop van tafel.

Mijn vader vroeg: “Hoeveel?”

“Wat?”

“Wat is mijn grond waard voor jou?”

“Sla niet zo’n toon aan.”

“Hoeveel?”

Maarten ademde langzaam uit.

“Als de gemeente ooit meewerkt aan bestemmingswijziging, misschien negen ton. Misschien meer.”

Mijn vader knikte.

“En daarom was die man hier.”

“Ik heb alleen onderzocht wat mogelijk is.”

“Zonder mij.”

“Je weigert elk gesprek.”

“Dat heet een antwoord.”

Maarten keek naar mij.

“Zie je dit? Hier kan ik dus niets mee.”

Ik antwoordde: “Dat probleem lijkt wederzijds.”

Hij draaide zich terug naar mijn vader.

“Je kunt daar niet blijven wonen.”

“Dat bepaal ik zelf.”

“Tot je weer in de rivier ligt?”

De stilte daarna was zo scherp dat ik de vaatwasser in de keuken hoorde afpompen.

Mijn vader keek hem aan.

“Ga naar huis.”

Maarten lachte één keer.

Kort.

“Prima.”

Bij de deur draaide hij zich nog om.

“Ik probeer tenminste iets te regelen voordat er echt iets gebeurt.”

Ranger begon laag te grommen.

Maarten liep weg.

Mijn vader keek niet naar mij.

“Hij weet iets,” zei hij.

“Waarover?”