“Dat probeer ik uit te zoeken.”
Een week later kreeg ik mijn eerste echte antwoord.
Van Ranger.
Elke avond rond halfelf liep hij naar de bijkeuken en ging voor een oude houten kast zitten.
Hij krabde er niet aan.
Hij blafte niet.
Hij zat alleen maar te kijken.
Op de vierde avond werd ik er gek van.
“Wat wil je nou?”
Ik schoof de kast opzij.
Daarachter zat een stopcontact.
En daaronder, half verborgen achter de plint, een zwart kabeltje.
Ik trok eraan.
Het liep door naar een kleine camera ter grootte van een luciferdoosje.
Mijn vader kwam op zijn sokken de keuken in.
Toen hij het apparaat zag, zei hij niets.
Ik ook niet.
We keken ernaar alsof het een dood insect was dat iemand expres op ons bord had gelegd.
Ik volgde de kabel naar een klein opnamekastje in de kruipruimte.
Op de geheugenkaart stond materiaal van ruim zes weken.
De camera keek uit op de achterdeur.
Mijn vader had hem zelf geplaatst.
“Waarom?”
Hij ging aan tafel zitten.
“Er verdwenen dingen.”
“Wat voor dingen?”
“Papieren. Sleutels. Een kopie van mijn paspoort.”
Mijn maag trok samen.
“Waarom heb je niets gezegd?”
“Omdat ik eerst wilde weten wie het deed.”
“En?”
Hij keek naar de geheugenkaart in mijn hand.
“Nu weten we dat misschien.”
We bekeken de beelden op mijn laptop.
De eerste dagen gebeurde niets.
Mijn vader liep langs.
Ranger.
De thuiszorg.
Ik.
Toen verscheen Maarten.
Twee weken voor de overstroming.
Hij kwam binnen met zijn eigen sleutel.
Dat was vreemd genoeg niet bijzonder. Mijn vader had ons allebei jaren geleden een reservesleutel gegeven.
Maarten liep rechtstreeks naar de keuken.
Hij opende een lade.
Daarna het kastje met administratie.
Hij haalde een map eruit.
Fotografeerde documenten.
Legde alles terug.
Een week later kwam hij opnieuw.
Dit keer was hij niet alleen.
De man naast hem herkende ik van de website van Van Hees Vastgoed.
Ze liepen naar buiten.
Dertig minuten later kwamen ze terug.
Op de geluidsopname was bijna niets verstaanbaar, behalve één zin.
De makelaar zei:
“Zonder handtekening krijg je dit niet rond.”
Maarten antwoordde:
“Dat komt wel.”
Mijn vader zette de video stil.
Zijn gezicht werd grijs.
“Verder.”
De ochtend van de overstroming.
05.41 uur.
Maarten verscheen in beeld.
Mijn vader sliep nog.
Hij droeg laarzen.
Hij ging naar buiten.
Zeventien minuten later kwam hij terug.
Hij hurkte bij de achterdeur.
Daar bleef hij bijna vier minuten.
Toen verdween hij uit beeld.
Om 06.23 uur kwam mijn vader naar beneden.
Om 06.29 uur liep hij naar buiten omdat Ranger tegen de deur stond te blaffen.
Om 06.31 uur raakte hij in het water.
Mijn vader sloot de laptop.
“Bel de politie.”
Ik deed het.
De wijkagent nam de beelden mee.
Twee rechercheurs kwamen later die middag.
Ze bekeken het slot.
De tuin.
Het hek.
De plek waar mijn vader was gevallen.
Aanvankelijk waren ze voorzichtig.
Een overstroming was geen misdrijf omdat familieleden elkaar niet mochten.
Maar drie dagen later veranderde dat.
Er zaten beschadigingen aan het oude hekmechanisme.
Iemand had de borgpen verwijderd.
En het nieuwe slot van de achterdeur bleek zo gemonteerd dat de deur van buitenaf normaal werkte, maar van binnenuit kon blokkeren als de hendel onder spanning kwam te staan.
Mijn vader vertelde dat de deur die ochtend niet open wilde toen het water begon op te komen. Daarom was hij via de zijdeur naar buiten gegaan om het hek te controleren.
Daar was hij uitgegleden.
Of geduwd door een situatie die iemand bewust gevaarlijker had gemaakt.
Nog steeds geen bewijs van poging tot moord.
Wel genoeg voor vragen.
Maarten reageerde zoals mensen reageren wanneer de waarheid niet helemaal past bij hun agenda.
Hij werd beledigd.
“Dus nu beschuldigen jullie mij?”
We zaten in mijn vaders woonkamer. De recherche had hem nog niet formeel verhoord, maar wij hadden Maarten gevraagd langs te komen.
Mijn vader legde een afdruk van een camerabeeld op tafel.
“Wat deed je hier om kwart voor zes?”
Maarten keek ernaar.
“Controle.”
“Waarop?”
“Waterstand.”
“Waarom?”
“Omdat Rijkswaterstaat waarschuwingen had afgegeven.”
“Waarom heb je het hek aangeraakt?”