“Dat heb ik niet gedaan.”
Ik draaide de laptop naar hem toe.
Op het beeld was duidelijk te zien dat hij naast het hek hurkte.
Zijn gezicht veranderde.
Niet veel.
Maar genoeg.
“Dat bewijst niets.”
Mijn vader knikte.
“Klopt.”
Maarten ontspande iets.
Toen legde ik de foto van het nieuwe slot ernaast.
“En dit?”
Hij keek naar mij.
“Geen idee.”
“De politie heeft jouw vingerafdruk erop gevonden.”
Hij verstijfde.
Dat was een leugen.
De politie had mij niets verteld over vingerafdrukken.
Ik wilde alleen zien wat hij deed.
Hij deed precies genoeg.
“Dat kan,” zei hij te snel. “Ik ben hier vaker.”
Mijn vader keek naar mij.
Hij begreep wat ik had gedaan.
“Je zei dat je dat slot nooit had aangeraakt,” zei ik.
Maarten keek van mij naar mijn vader.
Daarna stond hij op.
“Jullie zijn allebei compleet paranoïde.”
“Ga zitten,” zei mijn vader.
“Bekijken jullie het maar.”
“Ga zitten, Maarten.”
Voor het eerst in jaren klonk mijn vader weer als de man die vroeger twintig bouwvakkers stil kreeg zonder zijn stem te verheffen.
Maarten bleef staan.
Mijn vader pakte een tweede map.
“Ken je notariskantoor Van Mierlo in Zutphen?”
Ik zag Maartens gezicht veranderen.
Dat was het moment waarop ik wist dat er nog iets was.
Mijn vader schoof een document over tafel.
Een kopie van een volmacht.
Volgens het document had Willem de Bruin zijn zoon Maarten gemachtigd om namens hem onderhandelingen te voeren over verkoop van het huis en het perceel.
De handtekening leek op die van mijn vader.
Bijna perfect.
Maar niet helemaal.
“Waar komt dit vandaan?” vroeg Maarten.
“Van de notaris.”
“Dat is vertrouwelijk.”
Mijn vader leunde achterover.
“Het gaat over mijn huis.”
Niemand zei iets.
Buiten reed een fietser door de regen.
Mijn vader tikte op de onderste regel.
“Deze volmacht heb ik nooit ondertekend.”
Maarten keek naar mij.
“Jij hebt hem tegen me opgezet.”
Ik voelde iets in mij heel rustig worden.
“Je vervalst zijn handtekening en ik ben het probleem?”
“Ik heb niets vervalst.”
“Wie dan?”
Hij pakte zijn jas.
“Zoek het uit.”
Dat gebeurde.
Alleen niet zoals hij verwachtte.
De notaris had de transactie namelijk nooit uitgevoerd. Een medewerker had bij controle gezien dat het e-mailadres waarmee de volmacht was aangeleverd niet overeenkwam met eerdere correspondentie van mijn vader.
Daarom had zij rechtstreeks gebeld.
Mijn vader had van niets geweten.
De notaris had het dossier stilgelegd.
En de stukken bewaard.
Daarmee kwam de tweede verrassing.
Maarten handelde niet alleen.
Zijn compagnon bij zijn projectontwikkelingsbedrijf, Daan Vermeer, had een voorlopige koopconstructie voorbereid waarbij het perceel via een tussen-bv zou worden verworven.
Niet voor negen ton.
Voor 610.000 euro.
Drie maanden later zou dezelfde bv het terrein, onder voorbehoud van planologische goedkeuring, doorverkopen aan een regionale ontwikkelaar voor 1,34 miljoen.
Maarten zou zijn eigen vader dus niet alleen uit zijn huis krijgen.
Hij zou bijna zeven ton verschil buiten beeld houden.
Waarom?
Zijn bedrijf zat diep in de problemen.
Twee projecten in Almere waren vertraagd. De rente was gestegen. Een investeerder wilde uitstappen.
Maarten had privé borg gestaan.
Als hij binnen vier maanden geen liquiditeit vond, kon hij zijn bedrijf en waarschijnlijk zijn eigen huis verliezen.
Dat verklaarde iets.
Het rechtvaardigde niets.
De recherche arresteerde hem niet onmiddellijk voor het ongeluk.
Daarvoor ontbrak nog direct bewijs.
Maar voor vermoedelijke valsheid in geschrifte en poging tot fraude werd een dossier opgebouwd.
Daan Vermeer begon plotseling heel behulpzaam te worden.
Mensen worden opvallend principieel zodra hun eigen advocaat uitlegt hoeveel gevangenisstraf samenwerking kan besparen.
Daan leverde e-mails.
WhatsApp-berichten.
Conceptcontracten.
En één geluidsopname.
Die opname veranderde alles.
Hij was gemaakt vijf dagen voor de overstroming tijdens een gesprek tussen Daan en Maarten op kantoor.
Daan vroeg:
“En als Willem niet tekent?”
Maarten antwoordde:
“Dan moet hij daar weg.”
“Hoe?”