Wie hoopte dat de energierekening snel wat lucht krijgt via een lagere belasting op aardgas, komt voorlopig van een koude kermis thuis. Er blijkt namelijk een eerdere afspraak te bestaan die Nederland nu stevig in de houdgreep houdt.
Die afspraak is niet ‘iets uit Brussel dat ineens komt aanwaaien’, maar een keuze die Nederland zelf een paar jaar geleden maakte. En juist daardoor ligt een simpele belastingverlaging op gas nu politiek én financieel ontzettend gevoelig.
Waar het precies knelt
In 2022 legde Nederland in het zogeheten Herstel- en Veerkrachtplan vast dat de energiebelasting op aardgas omhoog zou gaan. Tegelijk werd afgesproken dat de belasting op elektriciteit juist omlaag zou gaan, als onderdeel van een bredere belastingverschuiving.
Dat plan was geen vrijblijvend wensenlijstje. Het was de Nederlandse ‘deal’ om aanspraak te maken op miljarden uit het Europese coronaherstelfonds. Wie die voorwaarden openbreekt, riskeert dat de EU geld terughoudt of kort op uitkeringen.
De energierekening blijft een politieke splijtzwam
In Den Haag groeit ondertussen de druk om huishoudens te helpen, omdat veel mensen het overzicht kwijt zijn. Naar schatting leven zo’n half miljoen huishoudens in energiearmoede: zij besteden een onevenredig groot deel van hun inkomen aan energie.
Alsof dat nog niet genoeg is, stijgen ook andere onderdelen van de rekening. Denk aan hogere vaste kosten voor het gas- en elektriciteitsnet, en later komt daar waarschijnlijk ook nog een Europese CO2-heffing bovenop.
Waarom gas duurder moest worden en stroom goedkoper
De kern van de afspraak uit 2022: Nederland wilde het gebruik van aardgas ontmoedigen en elektriciteit aantrekkelijker maken. De gedachte daarachter is simpel: als stroom goedkoper wordt, wordt overstappen op elektrische alternatieven sneller interessant.
Concreet ging het om de eerste belastingschijf: tussen 2023 en 2028 zou de gasbelasting daar met 5,23 cent per kubieke meter stijgen. Tegelijk zou de stroombelasting in dezelfde schijf met 5,23 cent per kilowattuur dalen.