Een vader met het syndroom van Down wist zijn kind groot te brengen, op te voeden en op eigen benen te helpen nadat de moeder hen verliet toen de jongen nog klein was. Op de foto staan Jeroen van Dijk en zijn zoon Bram.

 

DEEL TWEE

Bram antwoordde zonder lang na te denken.

“Ja.”

Waarom?

“Omdat hij mijn vader is. Hij maakt eten. Hij weet wanneer ik lieg dat er niks is. Als hij iets vergeet, schrijft hij het op. En als hij iets niet kan, vraagt hij hulp.”

De medewerker vroeg of Bram zelf veel voor zijn vader moest regelen.

“Soms leg ik uit hoe een app werkt,” zei hij. “Maar hij heeft mij leren fietsen. Lijkt me ongeveer eerlijk.”

Er kwam geen applaus en geen plotselinge overwinning op alle vooroordelen.

Er kwam iets gewoners: een plan.

Een vaste contactpersoon bij het wijkteam. Hulp bij ingewikkelde administratie. Een buurvrouw met een reservesleutel. Duidelijke afspraken met school.

Bram bleef thuis.

Voor Jeroen was dat genoeg.

Daarna kwam de puberteit.

Geen enkel kaartje op de koelkast bleek daarvoor een kleur te hebben.

Bram kwam te laat thuis, liet schoolwerk liggen en schaamde zich soms voor zijn vader. Vooral wanneer Jeroen bij voetbalwedstrijden zijn naam door het hele veld riep.

“Pap, je hoeft niet te doen alsof ik in Oranje speel.”

Jeroen keek hem verbaasd aan.

“Maar je speelt toch?”

“Bij een amateurclub.”

“Dan speel je.”

Ruzie maken met hem was niet onmogelijk, maar wel apart.

Bram herinnert zich één ruzie beter dan de rest. Hij was boos omdat hij vroeger thuis moest zijn dan vrienden en riep:

“Jij snapt toch niks.”

Jeroen zei eerst niets. Hij ging naar de keuken, zette twee glazen water neer en kwam terug.

“Dat zeggen mensen al mijn hele leven,” zei hij. “Van jou doet het meer pijn.”

Bram wist meteen dat hij te ver was gegaan.

Later die avond kwam hij terug naar de woonkamer.

“Sorry, pap.”

Jeroen knikte.

“Goed.”

“Ben je niet meer boos?”

“Nog een beetje.”

Dat antwoord vindt Bram achteraf typerend. Zijn vader deed zelden alsof emoties sneller weg waren dan ze werkelijk waren.

Na de middelbare school koos Bram voor een technische mbo-opleiding. Hij hield van fietsen, lampen en alles wat uit elkaar kon zonder dat het meteen weggegooid hoefde te worden.

Het eerste jaar viel tegen. Theorie was lastig, stage vinden duurde lang en klasgenoten leken zekerder over hun toekomst.

Op een avond zei Bram dat hij wilde stoppen.

Jeroen schonk thee in.

“Wil je stoppen omdat je iets anders wilt,” vroeg hij, “of omdat dit moeilijk is?”

Bram werd kwaad.

“Wat maakt dat nou uit?”

“Veel.”

De volgende ochtend ging hij toch naar school.

Jeroen kon hem niet helpen met technische tekeningen. Wel zat hij aan tafel terwijl Bram stagebrieven schreef. Hij wees soms op een zin en zei:

“Dit klinkt alsof jij zelf niet wilt.”

Dat bleek verrassend bruikbaar advies.

Bram vond uiteindelijk een stage bij een installatiebedrijf. De eerste weken kwam hij vaak chagrijnig thuis bij zijn vader. Hij moest vroeg op, maakte fouten en kreeg van een voorman steeds te horen dat hij sneller moest werken.

Jeroen luisterde meestal zonder oplossing.

Eén keer zei Bram:

“Je zegt helemaal niks.”

“Ik weet niet hoe installatiewerk moet,” antwoordde Jeroen.

“Je kunt toch iets zeggen?”

“Ja. Morgen weer gaan.”

Bram ging.

Aan het einde van zijn stage kreeg hij een contract aangeboden voor na zijn opleiding.

Bij de diploma-uitreiking zat Jeroen vooraan. Hij had beloofd niet overdreven te zwaaien.

Dat lukte.

Niet huilen lukte minder goed.

“Hij had het gehaald,” zegt Jeroen alsof daarmee alles is verklaard.

Bram zelf zegt dat hij die dag vooral keek naar de handen van zijn vader. Jeroen had ze op zijn knieën gelegd om niet te klappen voordat zijn naam daadwerkelijk werd genoemd.

“Hij was zenuwachtiger dan ik.”

Na zijn diploma kreeg Bram werk. Niet meteen een droombaan, wel vastigheid. Een bus van de zaak kwam later. Daarna spaarde hij voor zijn eerste eigen appartement.

Jeroen hielp met verhuizen. Hij droeg geen zware kast, maar liep met kleine dozen heen en weer en plakte op bijna alles etiketten.

`KEUKEN.`

`BADKAMER.`

`NIET WEGGOOIEN.`

Op één doos stond alleen:

`BELANGRIJK.`