De hond sleepte de doos midden over de vluchtstrook, met zijn nagels krassend over het asfalt. Ik trapte op de rem en zette mijn vrachtwagen met een ruk stil. Toen ik het deksel optilde, bleef mijn hand boven de doos hangen.
Bovenop lag een verbleekte babyarmband. Daaronder een envelop met mijn naam, geschreven in het handschrift van mijn overleden vrouw.
‘Dat kan niet,’ fluisterde ik.
De hond piepte en duwde zijn natte neus tegen mijn knie. Ik keek naar het armbandje. Jongetje De Vries. 14 maart 1996. Dezelfde datum die op het lege geboortekaartje stond dat mijn vrouw Ria al bijna dertig jaar in haar nachtkastje bewaarde.
Onze zoon had volgens het ziekenhuis de bevalling niet overleefd.
Ik had hem nooit gezien.
De regen tikte op de cabine. Achter me remde een bestelbus af; de bestuurder stak zijn middelvinger op en reed door. Ik hoorde het nauwelijks. Mijn vingers klemden zich om de rand van de doos.
Ria had me verteld dat de artsen haar na de bevalling onder narcose hadden gebracht. Toen ze wakker werd, was de baby weg. Een verpleegkundige had gezegd dat hij te klein en te zwak was geweest. Ik was destijds onderweg geweest naar Groningen met een vrachtwagen vol staal. Toen ik in het ziekenhuis aankwam, lag Ria stil in bed, haar gezicht bleek, haar handen leeg.
We hadden nooit een lichaam gezien. Alleen een verklaring van het ziekenhuis en een rekening voor de begrafenis.
Ik had vragen gesteld. Ria had haar hoofd weggedraaid.
‘Hij is dood, Henk,’ had ze gezegd. ‘Laat me alsjeblieft met rust.’
Ik had haar met rust gelaten.
Nu lag de armband op een vluchtstrook bij Breukelen, in een doos die een hond door de regen had gesleept.
Ik trok de envelop open. Er zat één vel papier in.
Henk,
Als je dit leest, ben ik er niet meer. Ik heb je iets verteld wat niet waar was. Niet omdat ik je wilde straffen, maar omdat ik bang was. Je broer Bram heeft het geregeld. Hij zei dat hij ons hielp. Ik geloofde hem. Ik had geen idee wat hij werkelijk deed.
Ga naar de oude werkplaats van pa. De sleutel zit onder de losse steen bij de achterdeur. Daar vind je de rest. Vertrouw Bram niet. Vertrouw alleen wat op papier staat.
Het spijt me.
Ria
Ik las de brief nog eens. Mijn broer Bram had de afgelopen jaren gezegd dat Ria verward was geweest, dat ze dingen door elkaar haalde. Hij had haar geregeld naar afspraken gebracht toen haar hart achteruitging. Hij had ook haar administratie gedaan. Na haar dood had hij mij geholpen met de uitvaart.
Ik had hem bedankt.
De hond stond met zijn voorpoten tegen de treeplank. Op zijn halsband zat een metalen plaatje. Moos. Ernaast stond een telefoonnummer.
Ik belde het nummer. Een vrouw nam na vier keer overgaan op.
‘Met Anouk.’
‘Ik heb hier een hond. Hij heeft een doos naar mijn vrachtwagen gesleept.’
Een stilte.
‘Moos?’ vroeg ze.
‘Staat op zijn halsband.’
‘Waar bent u?’
Ik noemde de afrit. Ze zei dat ze er over tien minuten zou zijn en vroeg me alsjeblieft bij de hond te blijven. Haar stem klonk alsof ze haar adem inhield.
Ik schoof de doos op de passagiersstoel en stapte uit. Moos drukte zich tegen mijn been. Zijn vacht was doorweekt en zijn ribben waren duidelijk voelbaar. Hij droeg een oud, rood tuigje met een rafelige plek bij de gesp.
‘Hoe oud is hij?’ vroeg ik toen Anouk met haar kleine auto stopte.
‘Twaalf. Hij was van mijn moeder.’ Ze keek naar de doos en haar mond trok strak. ‘Ik dacht dat die bij het grofvuil was gezet.’
‘Uw moeder kende mijn vrouw?’