Anouk keek me aan. ‘Mijn moeder was verpleegkundige. In het ziekenhuis in Utrecht. Ze is drie maanden geleden overleden.’
Ze heette Petra Smit. Anouk had haar moeder de laatste jaren geholpen met opruimen. De doos kwam volgens haar uit een kast in de voormalige woning van haar moeder, die ze aan het leeghalen was. De avond ervoor had ze spullen naar een opslagruimte gebracht. Moos was mee geweest. Ze had gedacht dat hij rustig op de achterbank lag.
‘Hij moet uit de auto zijn gekomen toen ik de achterklep opende,’ zei ze. ‘Ik zag hem pas later niet meer.’
‘En die doos?’
‘Die stond tussen oude papieren. Er zat een kaartje aan: “Voor Henk de Vries”. Ik heb niet gekeken. Ik wist niet wie u was.’
Moos schudde zich uit. De regendruppels vlogen over onze jassen. Ik keek naar de envelop in mijn hand.
‘Weet u waar de werkplaats van mijn vader staat?’ vroeg ik.
‘Mijn moeder woonde vroeger in Maarssen,’ zei Anouk. ‘Ze werkte met uw vrouw. Ik heb uw naam weleens gehoord.’
‘Wat zei ze dan?’
Anouk haalde haar schouders op. ‘Dat ze iemand niet had kunnen helpen toen het erop aankwam.’
Dat was genoeg om de rit naar de oude werkplaats te beginnen.
Mijn vader was al vijftien jaar dood. De werkplaats stond achter het huis waar ik was opgegroeid, aan een smalle straat in Maarssen. Mijn broer had het huis na vaders dood gekocht van de rest van de familie. Hij gebruikte de werkplaats als opslag, hoewel hij er nauwelijks kwam.
De sleutel lag inderdaad onder de losse steen.
De deur gaf pas na drie keer trekken mee. Binnen rook het naar koud hout, olie en stof. Ik zette de doos op de werkbank. Moos bleef bij de ingang staan, alsof hij de plek kende.
Onder oude gereedschapsdozen vond ik een metalen kist. De sleutel uit Ria’s brief paste.
Er lagen kopieën in van ziekenhuisformulieren, een polaroidfoto en een schriftje met Petra’s naam op de kaft. Op de foto hield Ria een pasgeboren baby tegen haar borst. Ze zag er uitgeput uit, maar ze glimlachte. Achter haar stond een vrouw in verpleegsterskleding. Petra.
Op de achterkant stond met pen geschreven: Hij ademt zelf. Ik heb hem gezien.
Ik moest gaan zitten.
De eerste papieren waren kopieën van Ria’s ontslagbrief. Er stond dat de baby was overleden. Onderaan stond een handtekening die volgens het document van de dienstdoende arts was. Maar naast die handtekening stond een aantekening: Overdracht aan kinderafdeling bevestigd door P. Smit.
Het schriftje bevatte korte notities, zorgvuldig gedateerd.
14 maart. De baby leeft. Bram zegt dat de vader niet geschikt is. Hij heeft een verklaring over Henk laten zien. Die klopt niet.
16 maart. Ria wil hem zien. Bram zegt dat hij al is overgebracht. Ik heb geen toestemming om het dossier in te zien.
21 maart. Ria vraagt me of ik hem heb gezien. Ik heb gelogen. Ik schaam me.
Verderop stond een naam: Milan Vermeer. Een datum: 14 maart 1996. En een plaats: gezinshuis De Linde, Hilversum.
Ik kende de naam niet. De datum wel.
Toen hoorde ik een auto voor de werkplaats stoppen.
Bram kwam binnen zonder te kloppen. Hij droeg zijn nette blauwe jas en hield een paraplu in zijn hand. Hij keek eerst naar mij en toen naar de open kist.
‘Je had hier niet moeten komen,’ zei hij.
‘Je wist van de doos.’
‘Ik wist dat Ria iets had achtergelaten. Ik wist niet dat Anouk het aan jou zou geven.’
‘Dus je wist wel dat ze iets had achtergelaten.’
Bram legde zijn paraplu tegen de muur. ‘Henk, dit is niet wat je denkt.’
‘Dat zei je vroeger ook over mijn zoon.’
Hij keek naar de polaroid. Zijn kaak verschoof nauwelijks, maar ik zag het.
‘Ria was ziek,’ zei hij. ‘Ze was na de bevalling in paniek. Ze kon die baby niet aan.’
‘Hij was niet dood.’
‘Nee.’
Het woord viel tussen ons in. Geen uitleg, geen verzachting.
Ik bleef naar hem kijken. ‘Waar is hij?’