Bram wreef met zijn duim over de rand van zijn paraplu. ‘Hij is geadopteerd.’
‘Door wie?’
‘Een goed gezin.’
‘Je hebt tegen Ria gezegd dat haar kind dood was.’
‘Ze was net bevallen. Ze had een moeilijke zwangerschap gehad. Jij was weken van huis. Ik dacht dat het de beste oplossing was.’
‘Je dacht dat jij mocht beslissen.’
‘Ik heb gedaan wat nodig was.’
‘Voor wie?’
Bram keek weg.
Ik bladerde door de documenten. Er zat een formulier tussen met mijn handtekening. Daaronder stond dat ik afstand deed van mijn ouderlijke rechten en instemde met adoptie. De datum was twee dagen na de bevalling. Ik was toen in Groningen geweest.
‘Dit is niet mijn handtekening.’
‘Ik heb je naam gebruikt,’ zei Bram. ‘Je zou toch nooit voor het kind hebben kunnen zorgen. Je was altijd onderweg.’
Ik stond op. De stoel schraapte over de betonnen vloer.
‘Ik heb je nooit toestemming gegeven.’
‘Je had het zelf ook niet aangekund.’
‘Dat bepaal jij niet.’
Voor het eerst keek hij me recht aan. ‘Ria was bang voor jou.’
Die zin trof harder dan de rest.
‘Waarvoor?’
Bram ademde uit door zijn neus. ‘Je was niet altijd makkelijk.’
‘Dat is geen antwoord.’
‘Je kwam thuis na drie weken op de weg en verwachtte dat alles nog hetzelfde was. Je schreeuwde als er iets misging. Je was weggeweest toen ze jou nodig had.’
Een deel daarvan was waar. Ik had lange ritten gemaakt. Ik had het verlies niet goed verwerkt. Ik had Ria soms afgesnauwd wanneer ze over de baby begon. Ik dacht dat ik sterk moest zijn en maakte haar daardoor alleen.
Maar ik had haar nooit gevraagd om ons kind weg te geven. En ik had niet gezegd dat hij dood was.
‘Heb je geld gekregen?’ vroeg ik.
Bram verstijfde. ‘Nee.’
‘Waarom is er dan een adoptieverklaring met mijn handtekening?’
‘Omdat er een handtekening nodig was.’
Ik pakte het papier en legde het voor hem neer. ‘Je hebt mijn naam vervalst.’
‘Ik heb geprobeerd een situatie op te lossen.’
‘Je hebt een kind bij zijn ouders weggehaald.’
‘Ik heb hem een gezin gegeven.’
‘En je hebt ons verteld dat hij dood was.’
Bram keek naar de vloer. ‘Ria wilde dat je het niet wist.’
‘Dat is ook een leugen.’
Hij reageerde niet.
Een halfuur later zat ik bij de politie in Utrecht. Ik had de originele documenten meegenomen en de kist gefotografeerd voordat ik iets aanraakte. Een rechercheur nam mijn verklaring op. Ze vroeg of ik Bram wilde aangeven wegens valsheid in geschrifte.
‘Ja,’ zei ik.
Mijn stem klonk vlak. Dat was goed. Ik wilde niet dat woede mijn verhaal zou veranderen.
De rechercheur legde uit dat de documenten oud waren en dat de zaak niet eenvoudig zou worden. De adoptie was destijds formeel geregistreerd, maar de toestemming van de vader leek vervalst. Het dossier van het ziekenhuis was gedeeltelijk vernietigd. Toch waren er kopieën, een getuigenis van Petra en een naam van het gezinshuis.
‘Er is nog iets,’ zei ik. ‘Ik wil weten waar die jongen is.’
‘We kunnen niet zomaar persoonsgegevens van een geadopteerde volwassene aan u geven.’
‘Dat begrijp ik.’
‘Maar als hij daar zelf voor openstaat, kunnen we mogelijk contact leggen.’
De volgende weken gingen langzaam. De politie nam Bram opnieuw op. Hij gaf toe dat hij mijn handtekening had nagebootst, maar hield vol dat Ria ermee had ingestemd. De notaris die de adoptie had vastgelegd, was overleden. Het gezinshuis bestond niet meer. De politie vond wel een oud dossier in het archief van de gemeente Hilversum.
De naam Milan Vermeer leidde naar een man van dertig die in Amersfoort woonde. Hij werkte als onderhoudsmonteur en had twee kinderen. Via een tussenpersoon kreeg hij de vraag of hij contact wilde met zijn biologische vader.
Hij antwoordde pas na negen dagen.
Ik wil eerst weten waarom u denkt dat ik uw zoon ben.
Ik schreef drie versies van mijn antwoord en verstuurde uiteindelijk de kortste.
Omdat ik te laat ben verteld dat je leefde. Ik heb papieren gevonden die laten zien dat iemand mijn toestemming heeft vervalst. Ik wil je niets afpakken en ik verwacht niets. Als je wilt praten, ben ik er.