‘Tijd.’
‘Dat is goed.’
Ik weet niet wat je wilt doen.
⸻
Veel later begon Andrew de tafel af te ruimen.
Hij reikte naar de babysokjes.
Toen hield hij stil.
‘Waar wil je dat ik ze neerleg?’
Amanda wees naar de vensterbank.
‘Daar.’
Waar wil je dat ik ze neerleg?
Andrew legde ze precies neer waar ze had aangewezen.
Een van de sokjes helde een beetje opzij.
Hij wilde het rechtzetten.
Toen hield hij zijn hand stil.
Amanda keek hem aan.
Andrew ging weer zitten.
Andrew had de sokjes precies neergelegd waar zij hem had gevraagd.