Het verlies van mijn moeder toen ik elf jaar oud was, maakte abrupt een einde aan mijn kindertijd.

Ik wilde weten hoe ze als kind was geweest. Of ze dezelfde grapjes maakte, dezelfde gewoonten had en dezelfde dromen koesterde die ik me van haar herinnerde.

Misschien kon mijn tante me dingen vertellen die ik nooit had geweten. Misschien zouden haar verhalen me helpen mijn moeder beter te begrijpen, niet alleen als de vrouw die ik zo vroeg verloor, maar ook als het meisje en de jonge vrouw die ze ooit was geweest.


En ik kon op mijn beurt vertellen over de moeder die ik had gekend. Over haar glimlach, haar warmte en de momenten die ik ondanks mijn jonge leeftijd nooit was vergeten.

We konden het verleden niet veranderen. We konden de verloren jaren niet terughalen en mijn moeder niet opnieuw tot leven brengen.

Maar we konden wel iets nieuws opbouwen vanuit wat er nog over was.

Rouwen betekent niet dat je iemand moet vergeten


Sinds die ontmoeting draag ik mijn verdriet anders met me mee.

De pijn van het verlies is niet verdwenen. Er zijn herinneringen die nog steeds moeilijk zijn en momenten waarop ik zou willen dat ik mijn moeder nog één keer kon spreken.

Toch voelt mijn verdriet niet meer uitsluitend als een lege ruimte.

Er zijn nu nieuwe gesprekken, nieuwe gezichten en familieverhalen die ik eerder nooit had kunnen horen. Ik heb een familielid gevonden dat een bijzondere band met mijn moeder had, ook al waren ze jarenlang van elkaar gescheiden.


Die ontdekking heeft me laten zien dat iemand die we verliezen op verschillende manieren in ons leven kan blijven bestaan: in onze herinneringen, in de verhalen van anderen en in de familiebanden die soms pas veel later zichtbaar worden.

Parijs heeft mijn verleden niet uitgewist. Het heeft mijn moeder niet teruggebracht en de jaren zonder haar niet ongedaan gemaakt.

Maar die ene straat bij Montmartre gaf me wel een onverwachte mogelijkheid om een stukje van haar verhaal terug te vinden.